Wat we verliezen als we sterven

Bij onze kennismaking met één van de droevigste teksten uit de Mesopotamische oudheid, de Assyrische elegie, merkten we dat de MesopotamiĂ«rs goede redenen hadden om de dood te vrezen. Hun ideeĂ«n over de Onderwereld die hen wachtte, waren immers nogal grimmig. In onze eigen tijd zijn er vele religies die een vrolijkere blik op het hiernamaals bieden en bovendien zijn er ook een hoop mensen die er ĂŒberhaupt niet van uitgaan dat er een bestaan na de dood is. Toch durf ik de uiterst controversiĂ«le stelling aan dat de meesten van ons niet bepaald uitkijken naar hun stervensuur.1 En deze angst voor de dood staat aan de wieg van veel prachtige kunst en intrigerende filosofische overpeinzingen. In dit blog wil ik enkele van zulke overpeinzingen met jullie delen, en dan wel degene die op schrift zijn gesteld door Thomas Nagel en Martha Nussbaum.

Ik zal eerst Nagels beroemde essay Death uit 1970 bespreken. Hierin oppert hij diverse redenen voor de min of meer alomtegenwoordige vrees die er in menselijke maatschappijen bestaat voor het kwaad dat de dood is.2 Vervolgens breng ik de inzichten van Martha Nussbaum te berde als één van de mogelijke manieren waarop we deze redenen van hun scherpe randjes kunnen ontdoen.3 Maar we eindigen vandaag op een vrolijke noot: zelfs met zulke verzachtingen is er eigenlijk nog steeds geen afdoende voorbereiding op de dood!

Dit blog is ook beschikbaar in het Engels.

Thomas Nagel en de dood

Nagels essay is, oh ironie, bijzonder levendig geschreven. In zijn voetnoten lijkt hij zelfs de populaire meme “zou je van mij houden als ik een worm was?” te anticiperen. Hij zet namelijk een gedachte-experiment op waarbij mensen uit schimmelsporen groeien.4 En het komt juist door het leven, volgens Nagel, dat we de dood vrezen. De dood wordt gevreesd, stelt hij, omdat het een kwaad is. En het is een kwaad, omdat de dood ons beroofd van iets – van het leven. Maar het kan toch zeker niet louter het verlies van het leven zijn dat de dood zo angstaanjagend maakt? Hoe zit het dan met het verlies van vreugde, blijheid en andere fijne zaken? Welnu, dat is van secundair belang, aldus Nagel. Want zelfs een leven dat tot de nok toe gevuld is met misĂšre, verschilt categorisch van het alternatief: simpelweg niet bestaan. Het gaat Nagel om de ervaring van het leven an sich die verloren gaat, eventuele goede tijdens zijn slechts een welkome bonus.5 Beroofd worden van het leven is tragisch, maar de toestand van het dood zijn is dat niet. De Babylonische koning ážȘammurabi heeft immers niet meer geleden dan Julius Caesar, alleen omdat hij reeds 1700 jaren langer dood is dan die beroemde Romein.6

Men kan een aantal bezwaren tegen deze redenering inbrengen en Nagel reageert op enkele hiervan in zijn essay. Hij weerlegt het eerste bezwaar, dat men onmogelijk kan weten wat men verliest door dood te zijn, direct.7 Er kunnen een persoon namelijk vele slechte dingen overkomen, zonder dat zij dit ooit doorhebben. Ik zou misleid zijn en een lezer minder hebben, zelfs als ik er nooit achter zou komen dat mijn buurlieden mij consequent voorliegen over het wekelijks lezen van mijn blog! Maar het belangrijkere punt dat Nagel hier maakt, is dat het verlies van de gelegenheid om dingen te doen, daadwerkelijk een verlies is. Het gaat om het contrast tussen de ervaren werkelijkheid en wat had kunnen zijn.8 Een persoon die stierf, was niet voorbestemd om dit aardse tranendal op dat precieze moment te verlaten. Zij hadden nog kunnen leven en in het bezit kunnen zijn van de gelegenheid om dingen te doen –hetgeen er dus verloren gaat als men sterft – voor een beetje langer als dit niet gebeurd was. En daarbij maakt het niet uit of zij nu stierven op hun dertigste of na tachtig jaar. Zelfs als men sterft na schier duizend jaar, dan zou dit nog steeds een tragedie zijn. Want het is irrelevant dat deze levenspanne buiten de normale verwachting voor mensen valt, er is nog steeds een verlies van mogelijke ervaringen.9  

Als laatste gaat Nagel in op commentaren waarin wordt opgemerkt dat de staat van het dood zijn vergelijkbaar is met niet geboren worden en daarom niet bestaan. Die laatste staat van zijn wordt toch ook niet als een kwaad of een verlies gezien?10 Indien iemand nog niet geboren is, antwoordt Nagel, dan is er ook nog geen subject dat het verlies van diens leven kan lijden. En hier worden de schimmelsporen relevant!11 Want als mensen zouden groeien uit schimmelsporen die, door een medisch wonder, eerder tot wasdom gebracht kunnen worden dan anders gebeurd zou zijn, dan zouden deze personen nog steeds niet kunnen weten wie zij geweest zouden zijn als de sporen waaruit zij voortkwamen op eigen houtje tot wasdom waren gekomen. Aangezien het, zo zou ik willen toevoegen, wellicht net zozeer onze omstandigheden zijn die bepalen wie wij zijn als onze lijven.12 Daarom vrezen wij de dood en niet het niet bestaan. De dood behelst een verlies en het geboren worden in een andere tijd of op een andere plek is slechts een onbekende factor. Erger nog, een verschillend bestaan in een andere tijd of op een andere plek zou, voor zover we nu kunnen zien, uiteindelijk nog steeds het ultieme verlies met zich meebrengen.

Martha Nussbaum en de mogelijkhedenaanpak

Nussbaum, die naast filosoof eveneens classicus is, had zelf ook het één en ander te zeggen over Nagels ideeĂ«n over de dood en ik heb hierboven regelmatig haar werk aangehaald in de voetnoten.13 Voor het moment wil ik deze inzichten echter terzijde laten en mij focussen op haar versie van de zogenoemde mogelijkhedenaanpak.14 Want als de dood staat voor het verlies van de gelegenheid om dingen te doen, dan is deze mogelijkhedenaanpak wellicht een behulpzame manier om na te denken over het voorzien van elk persoon van de kans om de meeste belangrijke mogelijke ervaringen mee te maken, vooraleer zij – vroeger of later – het loodje leggen.

In haar uitgebreide bibliografie beargumenteert Nussbaum dat sommige van deze ervaringen belangrijker zijn dan andere.15 Zij stelt daarom voor dat elk mens in staat zou moeten worden gesteld om bepaalde mogelijkheden te kunnen verkennen gedurende hun leven, opdat hun leven menswaardig kan worden genoemd.16 We kunnen zelfs een lijst opstellen met deze mogelijkheden. Zulk een lijst zou, naast andere vermeldingen, onder andere een zo pijnloos mogelijk bestaan, het ontwikkelen van iemands talenten en het aangaan van sociale relaties op gelijke voet met anderen omvatten.17 Deze mogelijkheden vormen, in Nussbaums optiek, een harde ondergrens, waar geen enkel mensen doorheen zou mogen zakken.18 En we zijn in staat om zo’n lijst samen te stellen, omdat we allen mensen zijn die onze kwetsbaarheid voor de tijd, verwondingen, dorst, honger en – uiteindelijk – de dood delen. Niet geheel toevallig is “niet voortijdig sterven” één van de mogelijkheden die Nussbaum voorstelt!19

Volgens mij zijn er twee manieren waarop men deze mogelijkheden kan koppelen aan Nagels idee dat de dood in de eerste plaats het verlies van het leven behelst. Ten eerste lijken Nusbaums mogelijkheden nauw verbonden te zijn met hoe en waarom wij sterven. De mogelijkheden die te maken hebben met het menselijke lijf, zoals de beschikking over voedsel en onderdak, zijn uiteraard bijzonder relevant.20 Maar ook veel van de mogelijkheden die voorbij gaan aan onze eigenste ik en bijvoorbeeld draaien om onze verhouding tot andere mensen, zijn belangrijk wat dit betreft. En dit legt Nussbaum sprekend uit aan de hand van oude mythes – inclusief cyclopen! – en een zelfbedachte, moderne fabel over de schalks genaamde planeet TextualitĂ©.21 Kort en goed, deze mogelijkheden kunnen ons helpen om, zolang als dat mogelijk is, het verlies dat gepaard gaat met de dood uit te stellen. Ten tweede is er de tijdsdruk. Niemand van ons weet hoe lang we hebben – zeker niet als we in een gemeente zonder goede fietspaden of met trams wonen! – en Nussbaums mogelijkheden brengen scherp op het netvlies welke kansen wij verliezen als onze tijd in deze wereld ten einde is gekomen. Aldus biedt zij een gids betreffende hetgeen wij kunnen doen met ons leven, zolang het ons nog niet is afgenomen. En wellicht heeft Nussbaum ook gelijk wanneer zij beweert dat het belangrijkste dat wij vermochten te doen – of wij nu mythologische helden zijn, leven op planeten met ironische namen, of gewoon ons simpele zelf zijn – het tonen van barmhartigheid naar anderen is.22 Want onze medemensen zijn, hoe je het ook went of keert, net zo kwetsbaar voor de koude greep van magere hein als wijzelf.

 Conclusie: magere hein zal altijd zijn tol eisen

Hoe we ook mogen denken over het afschrikwekkende vooruitzicht van de dood en hetgeen de huidige onontkoombaarheid daarvan betekent voor onze levensplannen – zelfs als wij erin slagen om iedereen te voorzien van Nussbaums voorgestelde mogelijkheden gedurende hun levenspanne, of deze nu lang is of kort – dat vooruitzicht en die onontkoombaarheid gaan voorlopig nergens heen. Zoals Steven Luper schrijft in zijn eigen essay over dit onderwerp voor de Stanford Encyclopedia of Philosophy: Er is geen afdoende voorbereiding voor de dood. We kunnen magere hein niet ontdoen van zijn zeis noch ‘m op een andere wijze onschadelijk maken. Dit is ook het geval als we de mogelijkhedenaanpak aan de kant schuiven en in plaats daarvan juist alle verlangens en ambities laten varen die door onze dood verijdeld zouden kunnen worden. Want zelfs in die situatie zijn we nog steeds niet verlost van de greep van magere hein – deze zou dan immers voorkomen hebben dat we ĂŒberhaupt verlangens en ambities koesteren!23

Hoewel dit blog niet in de buurt komt van het uitstekende digitale naslagwerk waarin Luper zijn inzichten schreef, hoop ik dat ik wederom iets van waarde heb gecreëerd deze week. Een werk dat ooit wellicht het verlies van mijn eigen leven overleeft. En volgende week ben ik van plan om exact hetzelfde te doen.

Schakel JavaScript in je browser in om dit formulier in te vullen.

Voetnoten

  1. Thomas Nagel, “Death”, in: Steven M. Cahn & Peter Markie (ed.), Ethics: History, Theory, and Contemporary Issues (Oxford: Oxford University Press, 2020), p. 942.
  2. Ibidem, p. 942-947.
  3. Ik refeer voornamelijk aan: Martha C. Nussbaum, “Human Functioning and Social Justice: In Defense of Aristotelian Essentialism”, Political Theory 1992, 20 (2), p. 202-246.
  4. Nagel, “Death”, p. 946-947, note 3; Amy Martin, “How the CSIRO Is Using Pop Culture to Redefine Science Communication”, Canberra Times January 23th 2024, Local Government, p. 9.
  5. Nagel, “Death”, p. 942-943.
  6. Ibidem, p. 942-943; Marc van de Mieroop, Hammurabi of Babylon (London: I.B. Tauris & co, 2003), p. xiii; Frits Naerebout & Henk Singor, De Oudheid: Grieken en Romeinen in de Context van de Wereldgeschiedenis (Amsterdam: Ambo, 2010), p. 482. En toen liet ik jullie toch weer even denken aan het Romeinse Rijk!
  7. Nagel, “Death”, p. 944; Martha C. Nussbaum, “The Damage of Death: Incomplete Arguments and False Consolations”, in: James Stacey Taylor (red.), The Metaphysics and Ethics of Death: New Essays (Oxford: Oxford University Press, 2013), p. 28; Martha C. Nussbaum, The Therapy of Desire: Theory and Practice in Hellenistic Ethics (Princeton: Princeton University Press, 2018), p. 201-202, note 8.
  8. Nagel, “Death”, p. 945.
  9. Ibidem, p. 946.
  10. Ibidem, p. 945-946.
  11. Ibidem, p. 946-947, note 3. See also: Nussbaum, The Therapy of Desire, p. 205-206.
  12. Steven Luper, The Philosophy of Death (Cambridge: Cambridge University Press, 2009), p. 65; Peter M. Cahn & Christine Vitrano, Happiness and Goodness: Philosophical Reflections on Living Well (New York: Columbia University Press, 2015), p 83; Nagel, “Death”, p. 945-946.
  13. Voor een beknopt overzicht, waarin Nussbaum eveneens haar eerdere standpunten over Nagels ideeĂ«n bespreekt, zie: Nussbaum, “The Damage of Death”, p. 26-35.
  14. Het pionierswerk voor de mogelijkhedenaanpak werd gedaan door Amartya Sen en deze aanpak is sedertdien toegepast op diverse maatschappelijke kwesties, van de achterstelling van mensen met een functiebeperking tot rampenbestrijding, zie: Ingrid Robeyns, “Het Rechtvaardigheidsdenken van Amartya Sen”, in: Amartya Sen, Het Idee van Rechtvaardigheid (Rotterdam: Lemniscaat, 2013), p. 13; Nussbaum, “Human Functioning and Social Justice”, p. 234, Martha C. Nussbaum, Frontiers of Justice: Disability, Nationality, Species Membership, (Cambridge: Harvard University Press 2006); Andrew Crabtree, “Capabilities, Ethics and Disasters”, in: DĂłnal P. O’MathĂșna, Vilius Dranseika & Bert Gordijn (red.), Disasters: Core Concepts and Ethical Theories (Cham: Springer, 2018), p. 175-187.
  15. Most influential in: Nussbaum, “Human Functioning and Social Justice”, p. 202-246. But see also: Martha C. Nussbaum, Sex and Social Justice (New York: Oxford University Press, 1999); Martha C. Nussbaum, Women and Human Development: The Capabilities Approach (Cambridge: Cambridge University Press, 2000); Nussbaum, Frontiers of Justice; Martha C. Nussbaum, From Disgust to Humanity: Sexual Orientation and Constitutional Law (Oxford: Oxford University Press, 2010).
  16. Nussbaum, Frontiers of Justice, p. 78.
  17. Nussbaum, “Human Functioning and Social Justice”, p. 214-229; Nussbaum, Frontiers of Justice, p. 76-78.
  18. Nussbaum, “Human Functioning and Social Justice”, p. 205, 214-15, 217-23; Nussbaum, Frontiers of Justice, p. 169-173.
  19. “[N]ot dying prematurely”, zie: Nussbaum, “Human Functioning and Social Justice”, p. 222.
  20. Ibidem, p. 217.
  21. Ibidem, p. 222-223, 241-242.
  22. Ibidem, p. 237-241.
  23. Steven Luper, “Death”, in: Edward N. Zalta (red.), The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Stanford: Stanford University, 2022), Plato.stanford.edu (consulted on February 27th 2024). Zie ook: Steven Luper, “Adaptation”, in: James Stacey Taylor (red.), The Metaphysics and Ethics of Death: New Essays (Oxford: Oxford University Press, 2013), p. 109-111.