De kosmische geografie van Ugarit

Velen van ons hebben zich, al of niet in het holst van de nacht, ooit in een zogenoemd Wikipediakonijnenol begeven.1 Dit gebeurt wanneer men iets te weten tracht te komen met behulp van de populaire digitale encyclopedie, maar vervolgens van onderwerp naar onderwerp surft door steeds weer op een nieuwe verwijzing te klikken. En zodoende verstrijkt er dan veel meer tijd dan je aanvankelijk besefte! Ongeacht de regelmatig gesuggereerde tekortkomingen van Wikipedia is dit wellicht een nuttigere manier om je tijd op het web door te brengen dan veel van de andere beschikbare mogelijkheden.2 Want met dit tijdverdrijf kun je tenminste nog eens iets leren. Zelfs een onderwerp waar je nog nooit van gehoord had, kan op deze manier tot een pontificale obsessie verworden. Eén van de onderwerpen die hiervoor in aanmerking komen, denk ik, is de antieke stad en het koninkrijk van Ugarit. En dan specifiek de wijze waarop de mensen die daar woonden hun lokale landschap verbeeldden.

Deze week zal ik jullie daarom laten kennismaken met het oude Ugarit, de moderne vindplaats Tel Shamra in Syrië, en de manier waarop diens inwoners de omringende landschappen met de bovennatuur verbonden.3 Dit blog is voor een belangrijk deel geïnspireerd door Jodi Verdals oudere maar nog steeds lezenswaardige artikel The Sacred Landscape of the Kingdom of Ugarit.4 En dat artikel is een prima plek om te beginnen met lezen als je na dit blog meer te weten wilt komen over de godheden en monsters die ooit geacht werden aanwezig te zijn in de omgeving van Ugarit.

Dit blog is ook beschikbaar in het Engels.

Het oude Ugarit

Het koninkrijk van Ugarit lag aan de oostkust van de Middellandse Zee, tegenover het eiland Cyprus. Diens grondgebied kwam grofweg overeen met de moderne bestuurlijke entiteit Latakia.5 Er wordt geschat dat er ongeveer 10.000 mensen in de gelijknamige hoofdstad woonden, terwijl de overige dorpen en nederzettingen nog eens 25.000 zielen huisden.6 Afgaande op de archeologische overblijfselen en geschreven documentatie, werd de plaats van de stad Ugarit al bewoond sedert het begin van de jonge steentijd, meer specifiek vanaf ongeveer het achtste millennium v.Chr., en kwam ergens tussen 1190 en 1185 v.Chr. deze occupatie tot een min of meer definitief einde. De stad is ons het beste bekend uit de eeuwen die aan haar ondergang voorafgingen.7 Dit tijdvak, dat tegenwoordig bekendstaat als de late Bronstijd, was een periode van belangrijke politieke verschuivingen en wisselende bondgenootschappen doorheen de Levant.8 Ugarit gedijde vooral in de veertiende eeuw v.Chr., toen het nauwe banden onderhield met het Hettitische Rijk, dat vanuit Anatolië opereerde, en het Rijk van Mittani aan diens oostflank in verval was.9 En wanneer de regelmatig volatiele verhouding tussen de Hettitische en Egyptische koninkrijken dit toeliet, stond Ugarit ook op goede voet met het oude Egypte; vooral in de laatste eeuw van haar bestaan.10 Hoe kwam dit bestaan dan ten einde, zullen jullie je onderhand afvragen. Welnu, in de twaalfde eeuw v.Chr. vonden er grote omwentelingen plaats in de wereld van de oudheid. Deze omwentelingen verspreidden zich vanuit het Egeïsch gebied en Anatolië, langs de oostkust van de Middellandse Zee en zelfs tot aan Egypte. En zo ging het statensysteem dat bestond aan het einde van de late Bronstijd ten onder.11 De oorzaken en omvang van deze omwentelingen worden nog druk bediscussieerd.12 Maar als we ons beperken tot Ugarit, dan mogen we er redelijk zeker van zijn dat er plunderende invallers aan te pas kwamen. Dit kunnen we afleiden uit de overduidelijk verwoeste ruïnes van de stad en de paniekerige correspondentie van de toenmalige koning.13 Het verhaal van Ugarit kwam daarmee tot een droevig einde.14

Maar het is juist dit einde, in een ironische speling van het lot, wat ons geholpen heeft om dat verhaal te herontdekken. Want door de plotse vernietiging van Ugarit werd er een schat aan bewijs bewaard voor toekomstige archeologen. De hoofdstad werd hervonden in 1928 n.Chr. door een lokale boer genaamd Mahmoud Mella az-Zßr. En een jaar later startten de eerste professionele opgravingen.15 Vooral de hoeveelheid beschreven artefacten die doorheen het oude koninkrijk gevonden is, hoe bescheiden deze ook mag lijken in vergelijking met sommige andere staten uit de oudheid, heeft bewezen een geweldige bron te zijn voor het reconstrueren van de levens en ideeën van de mensen die daar leefden in de Bronstijd.16 En dit omvat mede de wijze waarop zij de lokale geografie verbonden met het bovennatuurlijke.

Veeltaligheid en digrafie

Een introductie van de bronnen die ons ter beschikking staan leidt ons, zoals eigenlijk altijd het geval is als we de oudheid bezoeken, naar taalkwesties en schrijfsystemen – en dat is niet alleen omdat dit zaken zijn waar ik graag over vertel! Want onze bronnen omvatten een scala aan talen en schrijfsystemen. De belangrijkste talen lijken Akkadisch, Hurritisch en het inheemse Ugaritisch te zijn geweest.17 Tijdens de late Bronstijd was Akkadisch de lingua Franca van het oude Nabije Oosten. Deze taal kwam uit MesopotamiĂ« – grofweg het huidige Irak en delen van SyriĂ« – en werd door veel van de toenmalige staten gebruikt als onderling communicatiemiddel. Er zijn dan ook kleitabletten met Akkadische teksten, genoteerd in het karakteristieke spijkerschrift waarmee men deze taal schreef, gevonden van Egypte tot AnatoliĂ« – en ook in Ugarit.18 Maar het spijkerschrift, hoewel ik er dol op ben, is nogal omslachtig. Zelfs in de eerste versie bestond het al uit honderden tekens en deze hadden bijna allemaal meerdere betekenissen.19 Het is dan ook niet geheel onbegrijpelijk dat een persoon – of meerdere personen – in Ugarit het op zich namen om de manier waarop geschreven werd drastisch te vereenvoudigen. En hun inspanningen resulteerden in het beroemde Ugaritische alfabet. Voor dit schrijfsysteem creĂ«erde men een aantal spijkerschrifttekens die stonden voor medeklinkers, alsmede voor enkele klinkers die elk aan een glottisslag waren gehecht.20 Na diverse experimenten met nĂłg minder tekens ontstond er uiteindelijk een alfabet met 30 letters.21 Dit schrift werd gebruikt voor andere talen, zoals het Hurritisch en het Akkadisch, maar natuurlijk ook voor het Ugaritisch zelf. En het is vooral in dit schrift en voornamelijk in die laatste taal, naast de daadwerkelijke spijkerschriftteksten, dat we een klein maar redelijk uniek corpus van teksten hebben gevonden, waaruit we meer te weten kunnen komen over de lokale religieuze overtuigingen en praktijken. Zoals uit de mythen, gezangen en gebeden.22

Geleerden die zich verdiepen in de religieuze overtuigingen en praktijken van de bevolking van Ugarit – althans, wanneer het gaat om degene die opgeschreven werden en ons zijn overgeleverd – onderscheiden grofweg twee typen geschreven bronnen die relevant zijn: narratieve teksten en rituele teksten.23 En de informatie uit deze bronnen kan vaak aangevuld worden met archeologische vondsten. Daarnaast kunnen we een hoop kennis ontlenen aan toponiemen – oftewel plaatsnamen.24 De bestudering van deze bronnen verschaft onder andere een interessant doch incompleet beeld van de wijze waarop de inwoners van de oude stad en het koninkrijk van Ugarit zich hun contact met de bovennatuur voorstelden, alsmede hoe zij de verhouding tussen de bovennatuur en de hen omringende landschappen zagen.

Een betoverd landschap

De religieuze overtuigingen en praktijken van de bewoners van de stad en het koninkrijk van Ugarit draaiden natuurlijk niet alleen om hun natuurlijke omgeving. Archeologen hebben bijvoorbeeld ook stedelijke tempels en thuiskapelletjes gevonden.25 Maar deze mensen transfigureerden, zogezegd, eveneens elementen van de landschappen waar zij mee te maken hadden. Deze elementen “verkregen daarmee een betekenis die verder ging dan degene die zij oorspronkelijk of van nature hadden.26 We kunnen vier opvallende elementen van het landschap onderscheiden die voornamelijk werden verbonden met de bovennatuur: bossen, bergen, waterlichamen en woestijnen.27 Ik laat deze nu stuk voor stuk de revue passeren.

Zoals we al zagen met bij eerdere bespreking van de perceptie van de natuurlijke wereld in het Gilgamesj Epos, kunnen bossen een ambigue plek zijn. Het is immers gevaarlijk om er te komen, maar je kunt er ook een overweldigende schoonheid en een overvloed aan hulpbronnen vinden, alsmede de mogelijkheid om gemakkelijker contact te leggen met de goden. En iets soortgelijks lijkt het geval te zijn geweest voor de mensen van Ugarit. Meer specifiek valt het op hoe de bomen die samen bossen vormen als heilig werden beschouwd. Zij vormden symbolen van vruchtbaarheid en bescherming, zowel vanwege hun connectie met bepaalde godheden als op eigen houtje. Het is dan ook geen verrassing dat we archeologische overblijfselen hebben gevonden die duiden op cultische bomenverering.28

Bergen vormden een prominente exponent van het landschap van het koninkrijk van Ugarit.29 Volgens onze bronnen zag men bergen zowel als de woonplaats van de goden en als de plek waar de hemel en de aarde elkaar raakten.30 In het Ugarit van de oudheid zou de popster Belinda Carlisle dus gewoon gelijk hebben gehad – de hemel is een plek op aarde.31 Een ander bovennatuurlijk kenmerk van de bergen was hun relatie met de plek waar je de onderwereld betrad.32 Aldus zou men aan het einde van diens bestaan in dit aardse tranendal tenminste nog een indrukwekkend uitzicht meekrijgen – hoe onheilspellend dan ook.

Zowel het gevaar als het belang van water zal de lezer duidelijk zijn – tenzij deze het geluk heeft om te leven in een science-fictiontoekomst, waarin we water noch zuurstof nodig hebben om te overleven. Zeker in Ugarit bleek water een krachtig symbool van “reiniging en vernieuwing.”33 Want zonder regen kon men aldaar het land niet bewerken. We hoeven ons dan ook niet te verwonderen over de prominente plaats die weergoden innamen in het lokale pantheon.34 En dit pantheon illustreert ook de gevaarlijke kanten van water op elegante wijze. De god Yam belichaamde bijvoorbeeld het vernietigende potentieel inherent aan grote watermassa’s, zoals rivieren en de zee.35

De ambiguĂŻteit die we vinden in de lokale ideeĂ«n over de bovennatuurlijke aspecten van bossen, bergen en water – die zowel positieve als negatieve eigenschappen werden toegeschreven – is wellicht het minst duidelijk bij het vierde opvallende element van het Ugaritische landschap: woestijnen. Op het eerste gezicht zijn dan ook vooral de vreeswekkende aspecten zichtbaar. De woestijn was een plek van dood en verderf, en zij werd geacht bewoond te zijn door gevaarlijke beesten en luitjes die men liever niet tegenkwam in een donker steegje.36 Maar het zou mij niet verbazen als we de ambiguĂŻteit, die de wijze karakteriseert waarop de mensen van Ugarit over de andere landschappen dachten, eveneens voor woestijnen geldt. Dit is immers ook het geval in het bredere oude Nabije Oosten.37 Aanwijzingen hiervoor zouden we wellicht kunnen vinden, als we de namen voor plaatsen in de woestijn nader bekijken. Deze benamingen verwijzen misschien wel naar godheden die ook dit soort plekken het beschermen waard vonden.38 Hetgeen ons keurig brengt bij hetgeen wij kunnen leren van de plaatsnamen die reeds in kaart gebracht zijn.

De pracht van plaatsnamen

Tot nu toe hebben we het vooral gehad over het archeologische en tekstuele bewijs voor de koppeling tussen het Ugaritische landschap en de bovennatuur. Maar er is nog een andere, minder opvallende kennisbron die we kunnen aanboren: toponiemen. Inderdaad, als we het belang van de ideeën over de bovennatuur, zoals deze geprojecteerd werden op het milieu in de oudheid, nog scherper op het netvlies willen krijgen, kunnen plaatsnamen van nut zijn.39

Als we wederom terugkeren naar de bossen, bergen, waterlichamen en woestijnen die zulk een diepgaande impact hadden op de religieuze overtuigingen en praktijken van de inwoners van Ugarit, blijkt hier zeker wat in te zitten.40 In de afwezigheid van een volwaardig onderzoek naar de plaatsnamen die de mensen uit Ugarit gebruikten voor bestemmingen in de woestijn – althans, voor zover ik dat niet kon vinden – is dit voornamelijk het geval wat betreft de eerste drie elementen. We kunnen bijvoorbeeld de verering voor bossen terugzien in plaatsnamen die aan bossen of aan specifieke bomen refereerden. Zoals zl dprn – ‘schaduw van de jeneverbes’.41 Hetzelfde kan gezegd worden voor waterlichamen, zoals rivieren en bronnen. Deze werden zo essentieel gevonden, dat zij voorkwamen in plaatsnamen doorheen het gehele Ugaritische grondgebied. Uit een bezwering leren we zelfs dat de woonplaats van de belangrijke god El de naam mbk nhrm, ‘twee-rivieren’, droeg.42 En als we de namen van bergen aan een nader onderzoek onderwerpen, zoals die van de berg Safon, valt het op dat deze ook aan goden konden toebehoren – indien de berg vergoddelijkt was, bijvoorbeeld. Maar deze namen konden eveneens deel uitmaken van de eretitels van (andere) godheden. EĂ©n van de bijnamen van de god Ba’al was bijvoorbeeld ‘de heer van Safon’ (b’l áčŁpn).43 Wanneer we combineren wat we geleerd hebben van ons archeologische en tekstuele bewijs met de kennis die we ontleenden aan dit soort toponiemen, krijgen we langzaamaan zicht op een betoverd landschap – een waarlijk kosmische omgeving.

Conclusie: alledaagse betoveringen

Zou het verstandig zijn om vandaag de dag de bossen, bergen, waterlichamen en woestijnen van het oude koninkrijk van Ugarit te bezoeken, zonder acht te slaan op de betovering van het landschap? Wellicht met behulp van onze eenentwintigste-eeuwse technologieĂ«n, zoals GPS en helikopters. Maar zelfs dan zullen we niet helemaal kunnen ontkomen aan het ontzag dat voorkomt uit de panorama’s die daar te zien zijn en de ervaringen die er te beleven zijn. Het ontzag dat de mensen van toen deed denken aan machtige godheden en vergoddelijkte natuurlijke elementen. En wanneer de schaduwen lengen, gaan wij ons misschien ook afvragen of die berg in de verte mogelijk de ingang naar de onderwereld bewaakt en of die boom daarginds wellicht steeds ongeduldiger wordt terwijl deze wacht op de verering die ‘m toekomt.

Als we één ding kunnen leren van de ideeën over de natuur die we tegenkwamen in het oude Ugarit, is het wel dat er misschien eveneens een zekere kosmische schoonheid te vinden is in de landschappen waar wij ons begeven in het dagelijks leven. Dat wanneer we ons, al is het maar voor een moment, kunnen bevrijden van onze routines en elektronica, er een hoop schoonheid te bewonderen is vanuit de trein of vanaf de fiets die ons eerder ontging. Want wanneer je eenmaal op zoek gaat, is er iets betoverends te vinden in elk landschap. Hoewel er waarschijnlijk minder godheden en monsters aanwezig zullen zijn dan in de oudheid.

Schakel JavaScript in je browser in om dit formulier in te vullen.

Voetnoten

  1. Emily Yahr, “’The Crown’ Sends Viewers Down Wikipedia Rabbit Hole: TV Shows Push Traffic to Site, Numbers Show”, Spokane Spokesman-Review 5 januari  2018, D, p. 13.
  2. Joseph Michael Reagle, Good Faith Collaboration: The Culture of Wikipedia (Cambridge: The MIT Press, 2010), p. 169-173.
  3. Roger Matthews, “Peoples and Complex Societies in Ancient Southwest Asia”, in: Chris Scarre (red.), The Human Past: World Prehistory and the Development of Human Societies (London: Thames & Hudson, 2018), p. 457.
  4. Jordi Vidal, “The Sacred Landscape of the Kingdom of Ugarit”, Journal of Ancient Near Eastern Religions 2004, 4 (1), p. 143-153.
  5. Robert Hawley, “Ugaritic”, in: Rebecca Hasselbach-Andee (red.), A Companion to Ancient Near Eastern Languages (Hoboken: John Wiley & Sons, 2020), p. 257; Marc van de Mieroop, A History of the Ancient Near East (Chichester: Wiley Blackwell, 2016), p. 38.
  6. Mario Liverani, The Ancient Near East: History, Society and Economy, Translated by Soraia Tabatabai (New York: Routledge/Taylor & Francis Group, 2014), p. 326.
  7. Hawley, “Ugaritic”, p. 257; Van de Mieroop, A History of the Ancient Near East, p. 178; Matthews, “Peoples and Complex Societies in Ancient Southwest Asia”, p. 458.
  8. Van de Mieroop, A History of the Ancient Near East, p. 145.
  9. Matthews, “Peoples and Complex Societies in Ancient Southwest Asia”, p. 457.
  10. Wilfred H. van Soldt, “Ugarit: A Second-Millennium Kingdom”, in: Jack M. Sasson (red.), Civilizations of the Ancient Near East (New York: Charles Scribner’s Sons, 1995), p. 1264-1265.
  11. Guy D. Middleton, “Getting Closer to the Late Bronze Age Collapse in the Aegean and eastern Mediterranean c. 1200 BC”, Anqiquity 2024, 98 (397), p. 260.
  12. Zie bijvoorbeeld: Brandon L. Drake, “The Influence of Climatic Change on the Late Bronze Age Collapse and the Greek Dark Ages, Journal of Archaeological Science 2012, 39 (6), p. 1862-1870; Jan Driessen (red.), An Archaeology of Forced Migration: Crisis-Induced Mobility and the Collapse of the 13th c. BCE Eastern Mediterranean (Louvain-La-Neuve: Presses Universitaires, 2018); Mark Weeden, “The Hittite Empire”, in: Karen Radner, Nadine Moeller & Daniel T. Potts (red.), The Oxford History of the Ancient Near East: Volume II (Oxford: Oxford University Press, 2022), p. 600-601.
  13. Van Soldt, “Ugarit: A Second-Millennium Kingdom”, p. 1265. Voor de geleerde debatten over deze correspondentie, zie: Eric H. Cline, 1177 B.C.: The Year Civilization Collapsed. Revised and Updated Edition (Princeton: Princeton University Press, 2021), p. 107-109.
  14. Van de Mieroop, A History of the Ancient Near East, p. 178.
  15. Pierre Bordreuil & Dennis Pardee, A Manual of Ugaritic (Winona Lake: Eisenbrauns, 2009), p. 1-2.
  16. Hawley, “Ugaritic”, p. 258; John Huehnergard, An Introduction to Ugaritic (Peabody: Hendrickson Publishing, 2012), p. 3.
  17. Hawley, “Ugaritic”, p. 258. Wat betreft de talen die men daadwerkelijk sprak, zie: Silvia Ferrara, “A ‘Top-Down’ Re-invention of an Old Form: Cuneiform Alphabets in Context”, in: Philip J. Boyes & Philippa M. Steele (red.), Understanding Relations Between Scripts – Vol II: Early Alphabets (Oxford: Oxbow Books, 2020), p. 18.
  18. Juan Pablo Viat, “Akkadian as a Lingua Franca”, in: Rebecca Hasselbach-Andee (red.), A Companion to Ancient Near Eastern Languages (Hoboken: John Wiley & Sons, 2020), p. 358-366.
  19. Benjamin R. Foster, Before the Muses: An Anthology of Akkadian Literature, Third Edition (Bethesda: CDL Press, 2005), p. 5.
  20. Huehnergard, An Introduction to Ugaritic, p. 19-22. Of deze alfabetische spijkerschrifttekens inderdaad ter plekke bedacht zijn, overgenomen werden uit het Mesopotamische spijkerschrift of geĂŻnspireerd werden door een ander (proto-)alfabet is onzeker. Ik kan mij wel vinden in de theorie van Silvia Ferrara, dat de lokale kennis van zowel andere proto-alfabetten als het spijkerschrift werd ingezet om het Ugaritische alfabet te creĂ«ren, zie: Ferrara, “A ‘Top-Down’ Re-invention of an Old Form: Cuneiform Alphabets in Context”, p. 26-27.
  21. Hawley, “Ugaritic”, p. 258.
  22. Ibidem.
  23. David P. Wright, “Syria and Canaan”, in: Sarah Iles Johnston (red.), Religions of the Ancient World: A Guide (Cambridge: The Belknap Press of Harvard University Press, 2004), p. 174.
  24. Vidal, “The Sacred Landscape of the Kingdom of Ugarit”, p. 143.
  25. Gregorio del Olmo Lete, “Sacred Times and Spaces: Syria and Canaan”, in: Sarah Iles Johnston, Religions of the Ancient World: A Guide (Cambridge: The Belknap Press of Harvard University Press, 2004), p. 256.
  26. “[T]hus acquiring a meaning beyond their primary or natural one”, see: Vidal, “The Sacred Landscape of the Kingdom of Ugarit”, p. 151.
  27. Ibidem, p. 151.
  28. Ibidem, p. 144-145.
  29. Van Soldt, “Ugarit: A Second-Millennium Kingdom”, p. 1255.
  30. Vidal, “The Sacred Landscape of the Kingdom of Ugarit”, p. 145-146.
  31. Eng: “Heaven is a place on earth”, zie: Alex Henderson, “Heaven on Earth Review”, Allmusic (retrieved 23 April 2024).
  32. Vidal, “The Sacred Landscape of the Kingdom of Ugarit”, p. 146-148.
  33. “[P]urification and regeneration”, zie: Ibidem, p. 149.
  34. Ibidem; Wright, “Syria and Canaan”, p. 174.
  35. Vidal, “The Sacred Landscape of the Kingdom of Ugarit”, p. 149-150.
  36. Ibidem, p. 150.
  37. Laura Feldt, “Religion, Nature, and Ambiguous Space in Ancient Mesopotamia: The Mountain Wilderness in Old Babylonian Religious Narratives”, NUMEN 2016, 63 (4), p. 375; Laura Feldt, “Wilderness and Hebrew Bible Religion: Fertility, Apostasy and Religious Transformation in the Pentateuch”, in: Laura Feldt (red.), Wilderness in Mythology and Religion: Approaching Religious Spatialities, Cosmologies and Ideas of Wild Nature (Boston: Walter de Gruyter, 2012), p. 56, noot 6.
  38. Vidal, “The Sacred Landscape of the Kingdom of Ugarit”, p. 150-151.
  39. Katherine Clarke, “Walking through History: Unlocking the Mythical Past”, in: Greta Hawes (red.), Myths on the Map: The Storied Landscapes of Ancient Greece (Oxford: Oxford University Press, 2017), p. 26.
  40. Zie meer in het algemeen: Wilfred G.E. Watson, “The Lexical Aspect of Ugaritic Toponyms”, Aula Orientalis 2001, 19 (1-2), p. 109-123.
  41. Vidal, “The Sacred Landscape of the Kingdom of Ugarit”, p. 145; Mark S. Smith & Wayne T. Pitard, The Ugaritic Baal Cycle – Vol II: Introduction with Text, Translation and Commentary of KTU/CAT 1.3-1.4 (Leiden: Brill, 2009), p. 650.
  42. Vidal, “The Sacred Landscape of the Kingdom of Ugarit”, p. 149.
  43. Ibidem, p. 146.