Vergeten goden #1: Heeft NingSimug bestaan?

Veel van mijn lezers zullen zich, zo neem ik aan, neergelegd hebben bij het macabere feit dat zij uiteindelijk vergeten zullen raken na hun dood. Want de meesten van ons zullen zelden herinnerd worden nadat iedereen die ons gekend heeft eveneens het loodje heeft gelegd. Maar men zou toch niet denken dat de goden eenzelfde lot beschoren is! Zij hebben immers een hoop volgelingen verzameld en hun eredienst is vaak ook nog eens geïnstitutionaliseerd. Zelfs goden ontkomen echter niet aan de vergetelheid, of dit nu is na kortere of langere tijd. En velen van hen maken tegenwoordig alleen nog acte de présence in latere verslagleggingen van oude godsdiensten.1 Met deze nieuwe serie ben ik van plan een aantal van deze vergeten goden aan jullie voor te stellen en daarmee zoveel mogelijk interessante aspecten van antieke religies, gebruiken en overtuigingen voor het voetlicht te brengen. Deze week buigen we ons over het bestaan en de leefwereld van een godheid uit het oude West-Azië: NinSimug.

En dit is geen makkelijke taak. Want er zijn nog steeds hoogoplopende geleerde debatten betreffende het overgeleverde leesvoer waarin NinSimug genoemd wordt. Gelukkig gaan deze discussies alleen maar over bijzaken. Zoals de kwestie of er ĂŒberhaupt een god heeft bestaan die deze naam droeg. Of dat zo’n god dan als mannelijk of vrouwelijk kan worden gezien. En hoe je teksten uit de oudheid ĂŒberhaupt moet lezen. Vandaag buigen we ons dan ook voornamelijk over de vraag of er ooit een afgebakende godheid was die wij kunnen aanduiden als NinSimug en staan we stil bij de wetenschappelijke aanvallen op diens eertijdse bestaan.

Dit blog is ook beschikbaar in het Engels

De naam NinSimug

De voornaamste oorzaak van onze onzekerheid over het bestaan van NinSimug, is dat diens naam vaak geacht wordt slechts een andere manier te zijn geweest om de god Ninagal aan te duiden.2 En dit is een hoogst relevante aangelegenheid, aangezien wij NinSimug voornamelijk kennen vanwege diens verschijning in oude teksten. Deze theorie zou echter op losse schroeven komen te staan, als we beide goden zij aan zij zouden tegenkomen in dezelfde tekst. En dit blijkt inderdaad het geval te zijn, zoals we later zullen bespreken. Maar om een begin te maken met het ontrafelen van dit mysterie, moeten we eerst kennismaken met de wijze waarop de naam NinSimug geschreven werd.

Om te weten te komen of we een god die NinSimug werd genoemd dienen te onderscheiden van degene die werd aangeduid als Ninagal grijpen we terug op onze kennis van het spijkerschrift, waar we al in een eerder blog mee in aanraking kwamen. De naam ‘NinSimug’ is een redelijk eenduidige representatie van de twee spijkerschrifttekens waarmee zij geschreven werd, namelijk NIN en SIMUG. Deze twee spijkerschrifttekens werden vaak voorafgegaan door het teken DIĜIR (𒀭) dat onder andere goddelijkheid aangaf en niet altijd wordt weergegeven in hedendaagse vertalingen.3 Zoals je je misschien nog herinnert, konden de veelzijdige tekens waaruit het spijkerschrift bestaat gelezen woorden als volledige woorden, als de lettergrepen waarmee woorden fonologisch gespeld konden worden en – zoals we zojuist zagen met DIĜIR – als een verduidelijking van de betekenis van een nabij woord.4 Met het oog op onze onderneming van vandaag is het belangrijk om op te merken dat spijkerschrifttekens, naast andere talen, voor woorden in het Soemerisch en Akkadisch konden staan en ook gebruikt konden worden om woorden in beide oude talen te spellen. En allebei de spijkerschrifttekens die ons op dit moment interesseren, zowel NIN als SIMUG, zijn schoolvoorbeelden van de veelzijdigheid van dit schrift.

De naam ‘NinSimug’ behoorde waarschijnlijk toe aan een god van de smeedkunst – als er inderdaad een zelfstandig bestaande god met die naam was, natuurlijk! Het teken SIMUG (𒌣) kan namelijk gelezen worden als het gelijkklinkende Soemerische woord voor ‘metaalbewerker’ of ‘smid’.5 Maar er is meer gaande onder de oppervlakte dan je op het eerste gezicht zou denken. En dit heeft te maken met dat andere teken – en lettergreep! – dat mede de naam van NinSimug vormt: NIN

Het spijkerschriftteken NIN (𒎏) kan in verband worden gebracht met het Soemerische woord nin, wat gebruikt werd om vrouwelijke heersers aan te duiden.6 Het lijkt erop dat dit teken ooit een ligatuur was. Dat wil zeggen dat het samengesteld is uit andere spijkerschrifttekens. In dit geval werd het teken MUNUS (đ’Š©), hetgeen zoiets betekent als ‘(jonge) vrouw’, gecombineerd met het teken TUG2 (𒌆), waarvan men denkt dat het stond voor een Soemerisch woord voor textiel of kleding.7 Dat is natuurlijk allemaal leuk en aardig – maar is iets wat wij hier bespreken ooit zo simpel? En inderdaad, het teken NIN maakt regelmatig deel uit van de naam van mĂĄnnelijke goden. Iets wat we vaak kunnen achterhalen omdat deze goden worden genoemd als de echtgenoot van een godin!8 Daarom denkt men dat het teken NIN ook gebruikt kon worden om simpelweg goddelijkheid of een goddelijke afkomst aan te geven, ongeacht het gender van de godheid in kwestie.9 Inclusief de goddelijkheid of goddelijke afkomst van de god Ningirsu, die we hebben ontmoet tijdens onze bespreking van het AnzĂ» Epos. Het is daarom niet onlogisch om aan te nemen dat NinSimug een mannelijke god was en wiens domein de smidse was. En dit brengt ons bij de uiteindelijke aanleiding voor onze vraag of de combinatie van de spijkerschrifttekens NIN en SIMUG niet gewoon een andere manier was om de naam van een andere godheid die geassocieerd werd met smeedwerk te schrijven, namelijk hetgeen wij denken te weten over Ninagal.

Ninagal en NinSimug

Wie mag deze Ninagal dan wel zijn? Dit was, in de eerste plaats, een god die we veel vaker zijn tegengekomen dan onze hypothetische godheid NinSimug en over wie we een hoop meer lijken te weten. Het gaat hier om een smedende god die als zodanig wordt genoemd in diverse oude teksten gedurende een lange tijdsspanne.10 En daarbij gaat het ook om beroemde mythen, zoals Erra en Iơum – een verhaal dat eigenlijk zijn eigen blog verdient.11 Toevallig heet diens vrouw NinInim, waarbij we nog een voorbeeld hebben van de fluïditeit van het spijkerschriftteken NIN.12 En ook al wordt de naam Ninagal als zodanig gespeld in veel van de genoemde vermeldingen, we zien dat men in de oudheid al dacht dat de naam van deze god op diverse manieren geschreven kon worden.

Deze alternatieve spellingen refereren vaak aan het beroep van de god en omvatten onder andere simpelweg het teken SIMUG en de hierboven reeds uitgelegde combinatie van de tekens NIN en SIMUG. En in verschillende antieke lijsten waarin godennamen en hun verschillende schrijfwijzen worden opgesomd, kunnen we lezen dat de tekens Nin en SIMUG inderdaad een alternatieve wijze waren om het over Ninagal te hebben.13 Maar zowel bij de naam Simug als bij de naam NinSimug denken sommige hedendaagse geleerden dat zij in verschillende tijdperken verschillende goden aanduidden.14 Zoals ik hierboven al noemde – en waarbij we met spijt in ons hart de elegante oplossing van de godenlijsten ter discussie moeten stellen – is er ook nog tenminste één gelegenheid waarbij de namen Ninagal en NinSimug zij aan zij voorkwamen in een tekst uit de oudheid.

Zij aan zij

De meest eenduidige en onomstreden plek waar Ninagal en NinSimug zij aan zij in een tekst voorkomen en waarbij aldus beargumenteerd kan worden dat zij inderdaad verschillende goden waren, is een scheppingsmythe die tegenwoordig bekendstaat als “De eerste baksteen” en die is opgenomen in de bezwering Enuma Danu IbnĂ» Ć amĂȘ.15 Dit is een Akkadisch werk van om en nabij de tweede helft van het eerste millennium voor onze jaartelling en waarvan diverse versies zijn gevonden doorheen het huidige Irak. En in deze tekst – hou je vast! – lezen we over de omstandigheden die nodig waren om de eerste baksteen te vormen.16 Ninagal en NinSimug worden genoemd als goden die geschapen zijn door een andere god, ene Ea, teneinde de eerste baksteen voort te brengen en op passende wijze te aanbidden. Aangezien de precieze bewoordingen de crux zijn van ons mysterie van vandaag, geef ik jullie hier zowel de originele tekst zoals deze is omgezet uit het spijkerschrift, alsmede – geen paniek! – de vertaling:17

I.26  de2-a ina apsĂź ik-ru-áčŁa áč­i-áč­a-[am]
I.27  ib-ni dkulla ana te-diƥ-ti-[ki]
I.28  ib-ni giƥapa(gi) u giƥqīƥta ana ƥi-pir nab-ni-t[i-ki]
I.29  ib-ni dnin-ildĂș dnin-SIMUG u da-ra-zu ana mu-ĆĄak-lil ĆĄi-pir na[b-ni-ti-ki]
I.30  ib-ni ƥa-di-i u ta-ma-a-ti ana mim-ma ƥum-ƥu du-u[ƥ-ƥå-a]
I.31  ib-ni dguơkin-ban3-da dnin-a2-gal dnin-zadim u dnin-kur-ra ana ep-ơe-t[i-ki] [
]
I.32  u3 áž«i-áčŁib-ĆĄu-nu du-uĆĄ-ĆĄa2-a ana nin-da-be2-ki ra-bu-ti […]

I.26  Ea brak kle[i] van de Apsû.
I.27  Hij schiep Kulla om [jou] tot wasdom te laten komen
I.28  Hij schiep rietveld en bos voor de onderneming van [jouw] schepping
I.29  He schiep Ninildu, NinSimug en Arazu als degene die zich zetten aan de onderneming van [jouw schepping]
I.30  Hij schiep bergen en zeeën om alles tot wasdom te laten komen
I.31  Hij schiep GuĆĄkinbanda, Ninagal, Ninzadim en Ninkurra om […] [jouw] rituelen
I.32  En om hun welvaart te laten bloeien voor jouw grootse voedseloffers […]

Zoals je ziet is er slechts één regel die Ninagal en NinSimug scheidt. NinSimug helpt twee andere goden om de eerste baksteen te scheppen, terwijl Ninagal en zijn gezelschap luxeartikelen creëren voor de rituelen die komen kijken bij een afdoende verering van de eerste baksteen.18 Betekent dit dan dat deze twee goden, tenminste waar het de schrijver of schrijvers van deze specifieke tekst aamgaat, twee gescheiden entiteiten waren?

Grip krijgen op de goden

De assyrioloog Frank Simons komt met twee oplossingen. Zijn eerste benadering is het eenvoudigst: wat het deze tekst betreft, hebben we inderdaad van doen met twee verschillende goden. Maar er is ook een spannendere aanpak mogelijk, lezen we in Simon’s werk. De twee groepen van goden in regel 29 en regel 31 houden zich bezig met twee zeer verschillende taken die uiteenlopende wijze van metaalbewerking behelzen. Zou het kunnen zijn dat Ninagal in regel 29 met één van de andere bekende schrijfwijzen van diens naam is aangeduid, omdat er een andere vaardigheid van de god benadrukt diende te worden?19 Dit zou verklaren waarom de naam NinSimug voorkomt in de voornoemde godenlijsten als een alternatieve spelling van Ninagal en waarom de aanwezigheid van deze hypothetische godheid zo vluchtig is in de ons overgeleverde teksten.

Maar deze tweede aanpak is niet zonder potentiĂ«le tegenargumenten. De andere goden in de twee groepen zijn bijvoorbeeld afgescheiden entiteiten en niet simpelweg alternatieve namen voor dezelfde godheden.20 Althans, voor zover ik kon vaststellen is hieromtrent enige zekerheid. Dat NinSimug louter een andere manier zou zijn om Ninagal te schrijven zou daarom niet passen binnen het vastgestelde patroon van dit deel van onze tekst. Aan de andere kant is het ook weer niet ongehoord dat zo’n meer complexe verzameling goden en godennamen voorkomt in teksten uit de West-Aziatische oudheid waarin ideeĂ«n over en concepties van de bovennatuur te vinden zijn.21

Uiteindelijk is het wellicht onmogelijk om een definitief antwoord op onze vraag te vinden vanwege de gebrekkige staat van ons bewijs. Er mogen dan honderdduizenden fragmenten van kleitabletten zijn die we vandaag de dag nog kunnen bestuderen, toch hebben we maar een fractie van de kennis over de oude West-Aziatische goden tot onze beschikking. Want veel van wat ooit opgeschreven was – om van alles dat nooit ter schrift is gesteld, nog maar te zwijgen! – is verloren gegaan.22 Het zou best kunnen dat er ooit een god was die NinSimug genoemd werd en die een rol speelde als zichzelf in vele rituelen en mythen. En dat het alleen in strikt afgebakende gevallen of in bepaalde perioden was dat hij gelijkgesteld werd met de god Ninagal. Maar dat is niet het verhaal wat ons bewijs op dit moment aan ons vertelt.

Conclusie: hoe moet je oude teksten lezen?

En zo blijven we achter met een verontrustende vervolgvraag: hoeveel kĂșnnen we eigenlijk te weten komen over de oudheid door de teksten te bestuderen die ons zijn overgeleverd? Voor zover we nu kunnen zien, bieden antieke schrijvers ons vaak slechts een terloopse blik op een bepaalde plek in een bepaalde tijd, vertrouwden zij regelmatig op aannames die wij nog niet hebben kunnen ontcijferen en maakten zij fouten die wij niet altijd doorhebben of juist ten onrechte als zodanig bestempelen.23 We weten sommige dingen wel zeker – of tenminste met een bepaalde gradatie aan stelligheid, zoals ik hierboven al aanstipte. Zoals dat het niet geheel ongekend is dat een West-Aziatische god uit de oudheid meerdere keren in een tekst voorkomt onder verschillende namen, terwijl dat bij diens collegae niet persĂ© het geval hoeft te zijn.24 Helaas helpen deze meer solide gegevens ons niet om elke andere kwestie die ons nog dwarszit te verhelderen. Inclusief de vraag of er een god bestond die NinSimug genoemd werd en die verschilde van de bekendere god Ninagal.

En dit is wellicht ook waarom het zo’n plezier blijft om op de losse eindjes van onze kennis over het verleden te blijven knagen, of het nu het West-AziĂ« van de oudheid betreft of elders.25 Want we hebben misschien geen gewisheid verkregen wat betreft het bestaan van NinSimug, maar met onze zoektocht doorheen de beschikbare aanwijzingen hebben we wel een hoop geleerd over de goden, schrijfsystemen en rituelen van reeds lang ter ziele gegane samenlevingen. En de volgende keer zullen we deze kennis, vermoed ik zomaar, nog verder uitbreiden!

Schepping van de eerste baksteen

Schakel JavaScript in je browser in om dit formulier in te vullen.

Voetnoten

  1. Of zij leefden verder binnen andere culturele en religieuze raamwerken, zie: Michael Stausberg, “Introduction: The Demise of Religions – Or Do Religions End?”, in: Michael Stausberg, Carole M. Cusack & Stuart A. Wright (red.), The Demise of Religion: How Religions End, Die or Dissipate (London: Bloomsbury Academic, 2020), p. 1-6.
  2. Wilfred G. Lambert, Babylonian Creation Myths (Winona Lake: Eisenbrauns, 2013). p. 378. See for example: Antoine Cavigneaux & Manfred Krebernik, “Nin-Agala”, in: Dietz Otto Edzard, Erich Ebeling, Ernst F. Weidner, Michael P. Streck (red.), Reallexikon der Assyriologie – Band 9: Nab – Nuzi (Berlin: Walter de Gruyter, 1998-2001), p. 325-326; Antoine Cavigneaux & Manfred Krebernik, “d(NIN).SIMUG”, in: Dietz Otto Edzard, Erich Ebeling, Ernst F. Weidner, Michael P. Streck (red.), Reallexikon der Assyriologie – Band 9: Nab – Nuzi (Berlin: Walter de Gruyter, 1998-2001), p. 489.
  3. Andreas Fuls, “Classifying Undeciphered Writing Systems”, Historische Sprachforschung/Historical Linguistics 2015, 128 (1), p. 43; Christopher Woods, “The Emergence of Cuneiform Writing”, in: Rebecca Hasselbach-Andee (red.), A Companion to Ancient Near Eastern Languages (Hoboken: John Wiley & Sons, 2020), p. 35-36; Rykle Borger, Mesopotamisches Zeichenlexikon (MĂŒnster: Ugarit Verlag, 2003), p. 49-50; Catherine Mittenmayer, Altbabylonische Zeichenliste der Sumerisch-Literarischen Texte (Göttingen: Vandenhoeck, Ruprecht, 2006), p. 5-6.
  4. Woods, “The Emergence of Cuneiform Writing”, p. 36, 39.
  5. John A. Halloran, Sumerian Lexicon: A Dictionary Guide to the Ancient Sumerian Language (Los Angeles: Logogram Publishing, 2006), p. 235. Het moet opgemerkt worden dat de voornaamste of hoofdlezing van dit teken DE2 is, zie: Borger, Mesopotamisches Zeichenlexikon, p. 147; Mittenmayer, Altbabylonische Zeichenliste der Sumerisch-Literarischen Texte, p. 85.
  6. Borger, Mesopotamisches Zeichenlexikon, p. 225-226; Halloran, Sumerian Lexicon, p. 205.
  7. Mittenmayer, Altbabylonische Zeichenliste der Sumerisch-Literarischen Texte, p. 180; Halloran, Sumerian Lexicon, p. 279. Deze tekens worden ook wel gelezen als SAL en NAM2, zie: Borger, Mesopotamisches Zeichenlexikon, p. 206, 221-223.
  8. De god NinSikila bijvoorbeeld, zie: Antoine Cavigneaux & Manfred Krebernik, “Nin-Sikila”, in: Dietz Otto Edzard, Erich Ebeling, Ernst F. Weidner, Michael P. Streck (red.), Reallexikon der Assyriologie – Band 9: Nab – Nuzi (Berlin: Walter de Gruyter, 1998-2001), p. 489; Julia Maria Asher-Greve & Joan Goodnick Westenholz, Goddesses in Context: On Divine Powers, Roles, Relationships and Gender in Mesopotamian Textual and Visual Sources (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2013), p. 18, noot 46.
  9. Asher-Greve & Westenholz, Goddesses in Context, p. 6-8. Andere gezaghebbende verklaringen voor mannelijke goden wier naam het teken NIN omvat zijn dat dit oorspronkelijk een neutrale aanduiding was of zelfs dat sommige goden van geslacht zijn veranderd, zie: Gebhard J. Selz, “Five Divine Ladies: Thoughts on Inana(k), IĆĄtar, In(n)in(a), AnnunÄ«tum, and Anat, and the Origin of the Title ‘Queen of Heaven’”, NIN: Journal of Near Eastern Gender Studies 2000, 1 (1), p. 39, noot 2; Asher-Greve & Westenholz, Goddesses in Context, p. 18. Deze ambiguĂŻteit past binnen de bredere zoektocht naar de betekenissen van gender en genderrollen in het West-AziĂ« van weleer, zie: Judith Ochshorn, “Sumer: Gender, Gender Roles, Gender Role Reversals, in: Sabrina P. Ramet (red.), Gender Reversals and Gender Cultures: Anthropological and Historical Perspectives (London: Routledge, 1996), p. 54.
  10. Frank Simons, “The Goddess Kusu”, Revue d’Assyriologie et d’ArchĂ©ologie Orientale 2018, 112 (1), p. 132; Cavigneaux & Manfred Krebernik, “Nin-Agala”, p. 325-326; Eckart Frahm, “The Great City: Nineveh in the Age of Sennacherib”, Journal of the Canadian Society for Mesopotamian 2008, 3 (1), p. 15.
  11. Benjamin R. Foster, Before the Muses: An Anthology of Akkadian Literature (Bethesda: CDL press, 2005), p. 889.
  12. Manfred Krebernik, “Nin-imin”, in: Dietz Otto Edzard, Erich Ebeling, Ernst F. Weidner, Michael P. Streck (red.), Reallexikon der Assyriologie – Band 9: Nab – Nuzi (Berlin: Walter de Gruyter, 1998-2001), p. 384.
  13. Lambert, Babylonian Creation Myths, p. 378. Voor een voorbeeld van zo’n godenlijst, zie: Wilfred G. Lambert, “29. Marginalia on MSL XV”, Nouvelles Assyriologiques Brùves et Utilitaires 2005, 19 (2), p. 33-34.
  14. Cavigneaux & Krebernik, “d(NIN).SIMUG”, p. 489.
  15. Lambert, Babylonian Creation Myths, p. 376-383; Simons, “The Goddess Kusu”, p. 133-134.
  16. Lambert, Babylonian Creation Myths, p. 376.
  17. IM 11053/20 voorkant, kolom 1, regel 26, 27, 28, 29, 30, 31 & 32. Mijn vertaling. Voor een afschrift, een transliteratie en een geannoteerde Engelstalige vertaling, zie: Franz Heinrich Weissbach, Babylonische Miscellen (Leipzig: J.C. Hinrich’sche Buchhandlung, 1903), p. 33; Lambert, Babylonian Creation Myths, p. 380–81; Manfried Dietrich, “‘Als Anu Den Himmel Erschaffen Hatte…’: Rekurs auf das Schöpfungsgechehen AnlĂ€sslich einer Tempelrenovierung”, in: Joachim Marzahn, Hans Neumann, Andreas Fuchs & Joachim Oelsner (red.), Assyriologica et Semitica: Festschrift FĂŒr Joachim Oelsner AnlĂ€ĂŸlich Seines 65. Geburtstages am 18. Februar 1997 (MĂŒnster: Ugarit Verlag, 2000), p. 33-46.
  18. Simons, “The Goddess Kusu”, p. 134; Lambert, Babylonian Creation Myths, p. 376.
  19. Simons, “The Goddess Kusu”, p. 134.
  20. Lambert, Babylonian Creation Myths, p. 377-379.
  21. Simons, “The Goddess Kusu”, p. 134. En de andere hier genoemde goden verschijnen elders wederom samen, waarbij NinSimug de enige afwezige is, zie: Lambert, Babylonian Creation Myths, p. 377.
  22. Alan Lenzi, An Introduction to Akkadian Literature: Contexts and Content (Winona Lake: Eisenbrauns, 2019), p. 29-33.
  23. Philomen Probert, “Phonology”, in: Egbert J. Bakker (red.), A Companion to the Ancient Greek Language (Malden: John Wiley & Sons, 2014), p. 85. Voor specifiek West-AziĂ«, zie: Martin Worthington, Principles of Akkadian Textual Criticism (Berlin: Walter de Gruyter, 2012), p. 1-4, 6-40; Lenzi, An Introduction to Akkadian Literature, p. 1-76.
  24. Simons, “The Goddess Kusu”, p. 134. Over de kenmerkende onverenigbaarheid van mythen, met speciale aandacht voor die uit het West-AziĂ« van de oudheid, zie: Jack M. Sasson, “Time & Mortality: Creation Narratives in Ancient Israel and Mesopotamia”, in: Ettore Cingano & Lucio Milano (red.), Papers On Ancient Literatures: Greece, Rome And The Near East (Padova: S.A.R.G.O.N. Editrice e Libreria, 2008), p. 490.
  25. John H. Arnold, History: A Very Short Introduction (Oxford: Oxford University Press, 2000), p. 122.