Net als elke andere coole gast, ben ik natuurlijk gefascineerd door de precieze details van oude talen. Vooral de deelgebieden van die talen die nog steeds tenminste gedeeltelijk onbegrepen zijn, kunnen mij verleiden om zo enthousiast in een geleerd boek of artikel te duiken dat de zon reeds onder is wanneer ik uiteindelijk weer opkijk â hoewel dit misschien weinig zegt voor iemand die in het hoge noorden woont⊠Vandaag wil ik wat van dit enthousiasme met jullie delen door een taalkundig fenomeen te bespreken waarover nog steeds druk gedebatteerd wordt door geleerden en waarvan sommigen zeggen dat het wellicht niet eens bestaan heeft â de R-stam in het Akkadisch.
En daarmee zijn we weer terug bij het Akkadisch. Net zoals ondergetekende, is deze taal ongelooflijk oud. Het is één van de talen die gesproken werd in wat nu Irak is, alsmede in delen van SyriĂ«, gedurende de eerste drie millennia vooraleer onze jaartelling begon. Daarnaast fungeerde Akkadisch als de lingua franca van de late bronstijd.1 Waar we in vorige blogs vooral geĂŻnteresseerd waren in het spijkerschrift waarmee het Akkadisch vooral geschreven werd en opmerkelijke woorden die ons meer konden vertellen over het leven in de oudheid, gaan we het vandaag hebben over grammatica. Allereerst zal ik â heel kort, beloofd! â het stammensysteem in het Akkadisch uitleggen. Daarna maken we kennis met de sceptische houding van Bert Kouwenberg en zijn drie criteria voor het bestaan van een hypothetische R-stam. Tot slot, zullen we kijken of de voorbeelden van de R-stam die John Huhenergard uit de overgeleverde Akkadische teksten heet gevist, voldoen aan die criteria. Dus laat ons vandaag op ontdekkingsreis gaan en trachten het bestaan van een mysterieuze grammaticale inflexie uit een reeds lang dode taal te bewijzen dan wel te ontzenuwen!
Dit blog is ook beschikbaar in het Engels.
Grammaticale stammen in het Akkadisch
Net zoals andere talen uit de Semitische taalfamilie, vinden we de primaire betekenis van woorden in het Akkadisch in de wortel van woorden. Dit zijn combinaties van meestal drie, maar soms twee of vier, medeklinkers. En door het toevoegen van prefixen, invoegsels en suffixen respectievelijk voor, tussen en na deze medeklinkers, alsmede met behulp van diverse sets aan wisselende klinkers, kun je zelfstandige naamwoorden, werkwoorden en al die andere woorden scheppen die je nodig hebt om indruk te maken op feesten en partijen. Laat ons de wortel nemen waarvan de betekenis te doen heeft met stelen als een onschuldig voorbeeld. Welnu, niet letterlijk onschuldig natuurlijk⊠Louter praten over dieven en stelen is echter, voor zover ik weet, gelukkig niet strafbaar. De wortel in kwestie bestaat uit de medeklinkers Ć , R en Q en zij kan gebruikt worden voor vele woorden. De volgende voorbeelden zijn slechts een proeve van het uitgebreide vocabulaire dat iemand met criminele plannen in de oudheid tot zijn beschikking stond:2
Ć aRÄQum = stelen
Ć aRRÄQÄ«tum = dief (â)3
Ć aRRÄQum = dief (â)
iĆ RiQ = hij/zij/het stal
iĆ aRRiQ = hij/zij/het steelt/zal stelen
niĆ RiQ = wij stalen
niĆ aRRiQ = we stelen/zullen stelen
Het valt gelijk op dat het verschil tussen iets hebben gestolen en bezig zijn met stelen of plannen maken om iets te stelen â waar het dit specifieke werkwoord aangaat, althans â een verdubbeling van de tweede medeklinker van de wortel en het toevoegen van een klinker is. Maar dit is niet de enige manier waarop men de betekenis van dit woord kan aanpassen met behulp van systematisch dingen veranderen voor, tussen, na en met de medeklinkers die de wortel van een werkwoord vormen. En daarmee arriveren we bij het idee van verschillende grammaticale stammen. De vervoegingen die we hierboven tegenkwamen zijn deel van de simpelste conjugatie van Akkadische werkwoorden, degene die de Grund– of G-stam worden genoemd â âGrundâ betekent âgrondslagâ in het Duits. Maar er zijn ook andere grammaticale stammen en die worden afgeleid van deze G-stam. Elk van deze stammen geeft een nieuwe betekenislaag aan het werkwoord. De belangrijkste hiervan zijn de D-, Ć - en N-stammen. En bij deze stammen zijn er vaak kleine verschillen wat betreft de manier waarop bijvoorbeeld de tijd of het onderwerp van een werkwoord mee aangegeven.4
Bij de D-stam wordt de tweede medeklinker verdubbeld â waardoor je dus niet meer hoeft te raden waar die âdâ vandaan kom! â en net als bij de andere afgeleide stammen hangt de uiteindelijke betekenis van het werkwoord af van hetgeen de oorspronkelijke G-stam beduidde. Door de bank genomen, schept de D-stam vooral factitieve vormen voor een aantal bijvoeglijke werkwoorden en transitieve of causatieve vormen voor bepaalde actief-intransitieve werkwoorden. Met andere woorden: deze werkwoordsvormen betekenen vervolgens meestal iets in de trant van iets laten gebeuren, vaak jegens iets of iemand. De wortel DMQ heeft bijvoorbeeld betekenissen die samenhangen met goed zijn of worden. De D-stam van het werkwoord damÄqum, hetgeen dummuqum is, kan dus gebruikt worden als iets of iemand beter gemaakt wordt. En als we het werkwoord voor âverdwijnenâ nemen, áž«alÄqum, komen we erachter dat de D-stam, zijnde áž«ulluqum, betekent âlaten verdwijnenâ. Tot nu toe goed te volgen, nietwaar?
Dan is er de Ć -stam die helaas het naamgevingspatroon wat we tot nu toe hebben vastgesteld, doorbreekt. Want de âĆĄâ staat voor de letter die wordt toegevoegd aan werkwoordsvormen. Deze grammaticale constructie heeft twee voornaamste betekenissen. Voor een aantal bijvoeglijke werkwoorden schiet de Ć -stam onder de duiven van de D-stam en geeft zij ook aan dat men iets laat gebeuren. Het werkwoord marÄáčŁum, âziek zijn of wordenâ, heeft bijvoorbeeld een morbide Ć -stam, ĆĄumruáčŁum, die betekent âziek makenâ. Maar de Ć -stam duidt â net als de D-stam â voornamelijk oor bepaalde actief-intransitieve werkwoorden aan dat er iets veroorzaakt wordt. Sterker nog, het is de belangrijkste manier waarop de causatieve vormen van veel werkwoorden uit de G-stam worden gecreĂ«erd. Om een ander morbide voorbeeld te noemen: maqÄtum betekent âvallenâ, dus de Ć -stam ĆĄumqutum betekent âlaten vallenâ. Daarnaast kan men met de Ć -stam actief-transitieve werkwoorden dubbeltransitief maken! Deze werkwoorden hebben nu twee lijdende voorwerpen, één die de actie betreft waar de oorspronkelijke G-stam om draaide en één die te maken heeft met de oorzaak daarvan.
Tot slot is er de N-stam die â je verwacht het niet! â de medeklinker ânâ toevoegt aan de relevante werkwoordsvormen. Toch zie je deze ânâ zelden, omdat deze bijna altijd assimileert. Dat wil zeggen, de ânâ neemt de vorm aan van andere medeklinkers als deze aan diens rechterzijde staan. De N-stam kan twee dingen aangeven. Allereerst kan het een actief-transitief werkwoord een passieve betekenis geven. Dus als de werkwoordsvorm iáčŁabbat in de G-stam âhij zal grijpenâ betekent, dan betekent iáčŁáčŁabbat â de toegevoegde ânâ is geassimileerd aan de âáčŁâ aan de diens rechterkant â dus âhij zal gegrepen wordenâ. Daarnaast kan de N-stam een werkwoord wederkerig maken. Dat is net zo simpel als het klinkt. Het werkwoord saáž«Ärum betekent âdraaienâ in de G-stam en de N-stam hiervan, nasáž«urum, betekent dus âzich(zelf) draaienâ.
Om dingen nog makkelijker begrijpbaar te maken, zijn er uiterĂĄĂĄrd ook variaties op de voorgaande afgeleide stammen. Deze plaatsen vooral verdere tussenvoegsels binnen de ons reeds bekende werkwoordsvormen. Zoals de Dt-stam, waarbij er de medeklinker âtâ aan werkwoordsvormen in de D-stam wordt toegevoegd. En de Gtn-stam, waarbij de lettergreep âtanâ aan werkwoordsvormen in de G-stam wordt gepropt. En zoals je wellicht al verwachtte, hebben deze extra toevoegingen ook invloed op de betekenis van de werkwoordsvormen die aldus geconstrueerd worden. Is een bijkomende stam binnen deze weelde aan grammaticale veelzijdigheid en talloze mogelijke werkwoordsvormen, namelijk onze hypothetische R-stam, dan echt zoân gekke gedachte?
Kouwenbergâs criteria voor het bestaan van een R-stam
EĂ©n van de meest systematische en uitputtende verhandelingen over het Akkadische werkwoord â bijkans 700 paginaâs, gevuld met zeer kleine lettertjes! â is Bert Kouwenbergs magnum opus The Akkadian Verb and its Semitic Background. Dit is, en ik ben daarbij bloedserieus, één van mijn favoriete taalboeken aller tijden. En gelukkig voor onze onderneming van vandaag, bespreekt Kouwenberg in het vijftiende hoofdstuk de mogelijkheid voor een Akkadische werkwoordsvorm waarbij een replica van een andere lettergreep wordt gemaakt â want dat is waar de ârâ in de term R-stam vandaan komt!5
Kouwenberg stelt dat er drie voorwaarden zijn die bepalen of een grammaticaal fenomeen zoals onze hypothetische R-stam ooit bestaan heeft. Er moet sprake zijn van een consistente vorm, een kenmerkende functie en een zekere productiviteit. Met andere woorden: we zoeken naar een herkenbare R-stam die een specifieke betekenis met zich meebrengt en die daadwerkelijk consistent gebruikt wordt in de ons overgeleverde teksten. Ongelukkigerwijs vinden we waar het aankomt op de R-stam weinig regelmatigheid, zowel wat betreft diens vorm als het gebruik ervan. Daarnaast lijkt er geen typerende impact te zijn op de betekenis van de relevante werkwoordsvormen, een impact die we hierboven wel zagen bij de andere afgeleide stammen. Ook hebben we zo weinig antieke voorbeelden om mee te werken, dat er een niet onaanzienlijke kans is dat de werkwoordsvormen die in aanmerking komen als R-stam simpelweg het gevolg kunnen zijn van spelfouten.
Helaas voor ons, ziet Kouwenberg zijn drie voorwaarden alleen maar vervuld met een potentiĂ«le Dtr-stam. Dit is een Dt-stam zoals we die hierboven al tegenkwamen, maar waarbij de tweede medeklinker en de aanpalende klinker worden herhaald. De functie van deze vervoeging is volgens hem het aangeven van wederkerigheid of de meervoudigheid van het onderwerp of de actie. Een voorbeeld van die eerste functie is de werkwoordsvorm uktaáčŁaáčŁarĆ«, die is afgeleid van kaáčŁÄrum, waarbij je duidelijk de reduplicatie kunt zien en die betekent âze verzamelden zich samenâ.6 En zelfs hierbij, moet ik tot mijn schok bekennen, hebben we misschien niet eens te maken met een daadwerkelijke R-stam. In een indrukwekkend gedegen doortimmerd artikel, heeft David Testen voorgesteld dat de opmerkelijke werkwoordsvorm die vaak de Dtr-stam wordt genoemd eigenlijk een overblijfsel kan zijn van hoe Dt-stammen eerder in de geschiedenis van de Oost-Semitische tak van de Semitische taalfamilie, waar ook het Akkadisch toe behoort, werden gespeld. We hebben dus niet te maken met een redelijk arbitraire reduplicatie, betoogt Testen, maar de nalatenschap van een eertijds medio-passief element binnen de opgetekende fase van het Akkadisch. Er is geen Dtr-stam, er zijn alleen Dt-stammen met medio-passieve elementen.7
Hoe kan het dan dat een aantal briljante filologen â en, bescheidener, ondergetekende â toch ruimte zien voor het bestaan van een R-stam? Vanuit zijn eigen perspectief, wijst Kouwenberg op twee met elkaar verweven verklaringen.8 Ten eerste is er de mogelijkheid dat men reduplicatie en geminatie met elkaar verwart. Geminatie vindt plaats wanneer een medeklinker wordt verdubbeld of verlengd, terwijl daadwerkelijke reduplicatie vereist dat een lettergreep herhaald wordt â dus tenminste, wat het Akkadisch betreft, een medeklinker en een klinker. Daarnaast dient men reduplicatie binnen de wortel â de voornoemde groep aan medeklinkers die de primaire betekenis van woorden draagt in het Akkadisch â niet door de war halen met werkwoordsvormen die reduplicatie vereisen. Simpel gesteld, wanneer zoân groep aan medeklinkers, zeker als het er vier zijn, twee dezelfde letters omvat, wil dat niet zeggen dat de vervoegingen van deze wortel met tweemaal dezelfde medeklinker perse wijzen op een Ă©chte R-stam. Dit komt eenvoudigweg omdat het om dezelfde letter gaat! Zijn er dan ĂŒberhaupt nog redenen, zo hoor ik jullie nu denken, om te geloven in het bestaan van een R-stam die niet louter een zeer specifieke Dt(r)-stam is.
Huehnergards onderbouwing van de R-stam
Er zijn aanwijzingen dat een R-stam inderdaad deel uitmaakte van het Akkadisch â zelfs al is het tekstueel bewijs mager. En indicaties voor het bestaan van een R-stam kan men lezen in veel van de relevante literatuur van de afgelopen decennia.9 De meest laagdrempelige onderbouwing vinden we in John Huehnergards A Grammar of Akkadian, hetgeen een uitstekende en uigerbeide methode is om jezelf de taal te leren, alsmede één van de boeken die ik meen zou nemen naar een onbewoond eiland.10 Hij ziet tenminste twee categorieĂ«n werkwoordsvormen die mogelijk op het bewijs van een R-stam kunnen wijzen: degene die de lettergreep met de derde medeklinker van de wortel redupliceren en degene die datzelfde doen met de tweede medeklinker.
Die eerste optie, waarbij de lettergreep met de derde medeklinker geredupliceerd wordt, is volgens Huehnergard het veelbelovendst. Er zijn namelijk redelijk duidelijke voorbeelden die we een paar keer tegenkomen. We kunnen ook een functie vaststellen: de versterking van de betekenis van de wortel. Zie bijvoorbeeld de dramatische werkwoordsvorm ĆĄaáž«ururum, hetgeen betekent âvolledig verlamd zijn of raken van angstâ. Het is daarom toepasselijk, zoals Huehnergard opmerkt, dat deze specifieke hypothetische vervoegingen in de R-stam regelmatig gebruikt werden om goddelijke en andere ontzagwekkende eigenschappen te omschrijven. Deze categorie R-stammen is waarschijnlijk te schaars om te voldoen aan Kouwenbergs criterium omtrent productiviteit. (En hij zou het vermoedelijk niet met al Huehnergards voorbeelden eens zijn.) Toch kunnen we â denk ik â wel voorzichtig een herkenbare vorm en kenmerkende functie vaststellen om aan de andere twee criteria te voldoen.
Grappig genoeg is Huehnergard terughoudender wat betreft het aannemen van een R-stam bij de reduplicatie van de lettergreep met de tweede medeklinker. De voorbeelden waarop we moeten vertrouwen zijn namelijk nog schaarser en gemakkelijker uit te leggen als schrijffouten. Daarom denkt hij dat dit toentertijd geen algemeen geaccepteerde grammatica was. Met uitzondering van â je voelde âm vast al aankomen â de Dtr-stam. Deze kent hij grofweg dezelfde betekenis toe als Kouwenberg hierboven. We zien dus veel van dezelfde overwegingen betreffende de Dtr-stam bij beide geleerden.
Het onderliggende beletsel bij het bewijzen van het bestaan van een R-stem is echter dat tegen de Oud-Babylonische periode, grofweg de eerste helft van het tweede millennium voor onze jaartelling, deze vervoeging eigenlijk niet meer als zodanig werd gebruikt. Deze is daarmee grotendeels afwezig uit het gros van de teksten die de tand des tijds overleefd hebben. Daarnaast werden de werkwoordsvormen die R-stammen hadden kunnen zijn, door schrijvers in de oudheid aangezien voor een combinatie van de D- and Ć -stammen â de fabeltastisch getitelde Ć D-stem. Natuurlijk is het niet aan mij om degene te bekritiseren die daadwerkelijk Akkadisch spraken, maar Heuhnergard laat overtuigend zien met meerdere voorbeelden dat deze antieke interpretatie waarschijnlijk niet klopte. Tot slot werd Akkadisch vooral geschreven met een schrift dat bestond uit lettergreeptekens, het beroemde spijkerschrift. De kans bestaat dus dat een gerupliceerde lettergreep niet zozeer een aanwijzing is voor onze hypothetische R-stam, maar dat de schrijver per ongeluk tweemaal hetzelfde teken neerpende, zoals zowel Kouwenberg als Huehnergard benadrukken.
Conclusie: verloren aan de vergetelheid
Als je het mij zou vragen â wat je vooral niet moet doen, aangezien ik maar een enthousiaste amateur ben die blogs schrijft op het wereldwijde web â dan neig ik te denken dat Huehnergard best weleens gelijk zou kunnen hebben. We zullen dit naar alle waarschijnlijkheid nochtans nooit zeker weten vanwege een fundamenteel en onvermijdelijk probleem. Ondanks dat er honderdduizenden kleitabletten zijn opgegraven, hebben we nog steeds te weinig materiaal om definitieve conclusies te kunnen trekken. Denk alleen al aan al die gesproken woorden tijdens het millennialange bestaan van het Akkadisch waar we geen toegang tot hebben! In één ding heb ik echter wel vertrouwen, namelijk dat we voorzichtig moeten zijn wanneer we potentieel bewijs voor een hypothetische R-stam verwerpen als louter in de oudheid gemaakte schrijffouten.
Want het is een risicovolle onderneming om fouten trachten te ontwaren in antieke teksten die zijn geschreven in oude talen die we nog steeds niet volledig begrijpen. Een buitengewoon en geestverruimend boek waarin over dit onderwerp wordt uitgeweid, is Principles of Akkadian Textual Criticism van Martin Worthington. Fouten zijn onomstotelijk aanwezig in onze oude teksten. Zeker omdat veel van de overgeleverde exemplaren, zoals die uit de voornoemde Oud-Babylonische periode, schooloefeningen en kopieën waren die per oor of naar een voorbeeld werden opgesteld. En als we het eigen relaas van die kopiisten mogen geloven, waren de fysieke werkomgevingen niet ideaal om aandachtig te werken.11 Vanwege dergelijke omstandigheden en praktijken, zijn niet al deze teksten even geschikt om grammaticale perfectie te bieden voor nieuwsgierige 21ste-eeuwers.12 Maar zoals Worthington ook waarschuwt, zullen sommige zaken die we nu als fouten beschouwen mettertijd bevredigende opgehelderd worden.13 Het is daarom belangrijk om mysterieuze verschillen tussen onze werkwoordsvormen met oprechte belangstelling te blijven benaderen en alle mogelijke verklaringen te overwegen. En dan is de R-stam nog steeds een nuttige optie.
En dit is één van de redenen waarom taalkunde en filologie nou zo fascinerend zijn. Bij bijna elk geleerd debat binnen deze vakgebieden zijn beide kanten het bestuderen waard en hebben alle betrokken onderzoekers ons wel iets te leren. En volgende week komen alweer enkele pedagogisch verantwoorde geleerde meningsverschillen tegen wanneer we op zoek gaan naar wederom een vergeten god uit de oudheid: de Anatolische godheid Telipinu.

Voetnoten
- John Huehnergard, A Grammar of Akkadian (Winona Lake: Eisenbrauns, 2005), p. xxi-xxvi; Rebecca Hasselbach-Andee, âAkkadianâ, in: Rebecca Hasselbach-Andee (red.), A Companion to Ancient Near Eastern Languages (Hoboken: John Wiley & Sons, 2020), p. 129-131.
- Huehnergard, A Grammar of Akkadian, p. 522.
- Let op dat âĆĄarrÄqÄ«tumâ niet is gevonden in het Old-Babylonische dialect dat ik voor de meeste voorbeelden in dit blog heb aangehouden. Alleen een latere vorm zonder de laatste m- is bekend: ĆĄarrÄqÄ«tu, zie: Jeremy A. Black et al (red.), A Concise Dictionary of Akkadian (Wiesbaden: Harrassowitz, 2000), p. 361; Erica Reiner et al (red.), The Chicago Assyrian Dictionary â Vol 17: Ć (Part I) (Chicago: The Oriental Institute, 2004), p. 69-70. Ik heb de laatste -m, die ook wel mimatie wordt genoemd, toegevoegd om de voorbeelden uniform Oud-Babylonisch te houden en zo verwarring te voorkomen.
- Deze afgeleide stammen hebben natuurlijk meer functies dan ik hier ruimte voor heb en sommige hiervan zullen wellicht ooit een eigen blog krijgen. Zie voor meer details: Bert J.C. Kouwenberg, The Akkadian Verb and its Semitic Background (Winona Lake: Eisenbrauns, 2011), p. 245-246, 271-277, 294-299, 327-333. Voor de inleidende opmerkingen in het overzicht hieronder, inclusief de voorbeelden, zie: Huehnergard, A Grammar of Akkadian, p. 252-258, 297, 299-300. 358, 361-362.
- Kouwenberg, The Akkadian Verb and its Semitic Background, p. 438-439.
- Ibidem, p. 440-441.
- David Testen, âInternal Reduplication among the T-Derived Verbal Stems of Akkadianâ, Journal of the American Oriental Society 2021, 141 (2), p. 355, 362-363.
- Kouwenberg, The Akkadian Verb and its Semitic Background, p. 438-439.
- Een aantal invloedrijke voorbeelden volstaan hier, zie: Burkhart Kienast, âWeiteres zum R-Stamm des Akkadischenâ. Journal of Cuneiform Studies 1961 15 (2), p. 59-61; Jean-Marie Durand & Dominique Charpin, âNouveaux Exemples de «R Stems»â, Nouvelles Assyriologiques BrĂšves et Utilitaires 1988, 17 (1), p. 11-14; Brigitte R.M. Groneberg, âReduplications of Consonants and âRâ-stemsâ, Revue d’Assyriologie et d’ArchĂ©ologie Orientale 1989, 83 (1), p. 27â34.
- Huehnergard, A Grammar of Akkadian, p. 363-365.
- Worthington, Principles of Akkadian Textual Criticism, p. 6, 8, 17, note 62.
- Martin Worthington, Principles of Akkadian Textual Criticism (Berlin: Walter de Gruyter, 2012), p. 20, note 73. Paul Delnero, âPre-Verbal /N/: Function, Distribution, and Stabilityâ, in: Jarle Ebeling & Graham Cunningham (red.), Analyzing Literary Sumerian: Corpus-Based Approaches (London: Equinox, 2007), p. 110-111.
- Worthington, Principles of Akkadian Textual Criticism, p. 8,19, 162, 309.