De godheid Telipinu uit het Anatolië van de oudheid wordt al heel lang niet meer vereerd. Toch zijn er bewonderenswaardige pogingen om de verhalen over hem en zijn goddelijke collega’s in leven te houden voor de moderne tijd. Zoals de Engelstalige versies van enkele Hethietische gedichten van de hand van promovendus Naomi Harris, die in de herfst van 2025 verschenen in het literaire magazine The Paris Review.1 Eén van deze gedichten verhaalt van de verdwijning van Telipinu, iets waar de god een handje van had.2 En dit is interessant, want in veel van de mythen over Telipinu wordt benadrukt dat deze god onder geen enkele voorwaarde vergeten kan worden – zelfs als hij verdwijnt en men hemel en aarde moet bewegen om ‘m terug te vinden. Want als Telipinu verloren ging, zouden er zeker ecologische rampen volgen. Vandaag gaan we het daarom hebben over een god die nadrukkelijk niet verwaarloosd zou moeten worden door stervelingen, van bijen tot mensen, maar uiteindelijk toch vergeten raakte.
Om Telipinu te leren kennen, moeten we ons verdiepen in een zeer specifiek tijdvak in de geschiedenis van het oude Anatolië: namelijk de spanne van het Koninkrijk van de Hethieten. Van de zeventiende tot de vroege twaalfde eeuw voor onze jaartelling heerste deze staat over grote delen van het huidige Türkiye en het noorden van Syrië, niettegenstaande enkele perioden van verval.3 De Hethietische taal, die we hierboven al tegenkwamen en waarin het gros van de overlevende verhalen over Telipinu waren geschreven, was verre van de enige taal die gesproken of geschreven werd doorheen het koninkrijk. Sommige geleerden beweren zelfs dat het voornamelijk de taal van de elite of het bestuurlijk apparaat was en dat vele inwoners van het koninkrijk dagelijks converseerden in talen zoals het Luwisch, Hurritisch of Hattisch. En dit waren ook nog eens zeer verschillende talen! Hethietisch en Luwisch zijn Indo-Europese talen. Deze taalfamilie omvat bijvoorbeeld ook het Nederlands, Frans en Engels. Hattisch, de taal waarvan men denkt dat deze het belangrijkst was voorafgaand aan de Hethietische heerschappij, en Hurritisch zijn daarentegen geheimzinnige talen die we niet met zekerheid aan een bekende taalfamilie kunnen koppelen.4 Deze verscheidenheid zien we ook bij de lokale religie en het pantheon: er waren elementen aanwezig uit vele geloofssystemen. Iets wat nog eens wordt bevestigd door onze informatie over Telipinu zelf.
Dit blog is ook beschikbaar in het Engels.
De ongrijpbare Telipinu
De volkeren van het Koninkrijk van de Hethieten bewoonden een wereld die zij deelden met talloze mystieke wezens. Om Trevor Bryce aan te halen: “De hele kosmos krioelde met bovennatuurlijk leven”5 En dit hoeft ons niet te verbazen, want de religie van het koninkrijk was een vlechtwerk van vele invloeden waarvan zelfs hedendaagse geleerden het moeilijk vinden om ze te ontrafelen.6 En in het gezelschap van deze bonte verzameling aan geesten andere fabelwezens bevonden zich ook – zoals je misschien al verwacht had – vele goden en godinnen.
Het Koninkrijk van de Hethieten stond ook wel bekend als ‘het land van de duizend goden’. En hoewel deze claim ongetwijfeld deels een vorm van opschepperij was over de vele veroveringen van de Hethietische koningen, kan er een kern van waarheid in hebben gezeten. Een deel van de reden voor dit indrukwekkende aantal was namelijk een beleid van religieuze tolerantie. De Hethieten hadden de gewoonte om zich de goden van de vele culturen in hun rijk eigen te maken.7 Ze vereerden deze goden zelfs regelmatig in de taal van hun oorspronkelijke aanbidders.8 Toch zat er misschien ook een zekere sluwheid achter deze opmerkelijke verdraagzaamheid. Want de Hethieten namen vaak de standbeelden van deze goden mee naar hun eigen tempels, zodat de overwonnen volkeren hun eigen godheden niet meer konden aanroepen voor hun eigen doeleinden.9 De verhevenste van deze duizend goden was de Stormgod die – samen met zijn echtgenote, de Zonnegodin – het pantheon leidde. Maar vandaag zijn we vooral geïnteresseerd in één van diens nakomelingen, zijnde de vegetatiegod Telipinu.10
De goden die doorheen het Koninkrijk van de Hethieten werden vereerd waren – althans, zoals het ons nu toeschijnt – opmerkelijk menselijk. Net als andere pantheons uit de oudheid, zoals de alom bekende inwoners van de berg Olympus zoals die werden voorgesteld door de oude Grieken, ervoeren zij onverstandige emoties, konden zij nalatig zijn, wilden zij vermaakt worden en begingen zij blunders.11 Maar hun inspanningen en bijstand waren nog steeds onmisbaar voor het menselijk bestaan. En dit is zeker ook zo bij Telipinu, die onder andere ging over vruchtbaarheid en ervoor zorgde dat ploegen de aarde konden doorklieven, akkers konden worden geïrrigeerd en het graan kon groeien.12 Hij was een god die waarschijnlijk al bestond voor het Koninkrijk van de Hethieten en was misschien van origine Hattisch.13 Toch was er tenminste één Hethietische koning die de naam van de godheid droeg.14 Natuurlijk was de zegen van Telipinu niet de enige voorwaarde om landbouw te bedrijven. De regens van de stormgod waren eveneens onontbeerlijk.15 Dat gezegd hebbende, het is te verwachten dat een verdwijning van Telipinu zware ecologische gevolgen had.
Goddelijke ecologische rampen remediëren
Aangezien het reilen en zeilen binnen het Koninkrijk van de Hethieten, waarvan men verwachtte dat hiermee de bevolking gevoed, veilig en anderszins ondersteund werd, geacht werd af te hangen van de goden, werd de afwezigheid van bepaalde godheden gezien als de uiteindelijke oorzaak van de vele catastrofes die met tussenpozen een mensenbestaan kunnen plagen.16 Dat we in Anatolië antieke tabletten hebben opgegraven met daarop een genre aan mythen over de verdwijning van goden is daarom niet wereldschokkend.17 Telipinu was niet de enige god over wie deze verhalen gingen, maar hij duikt wel het vaakst op en we hebben diverse versies van zijn verdwijning.18 Van deze verhalen wordt gedacht dat zij opgeschreven zijn tussen de vijftiende en dertiende eeuw voor onze jaartelling. Daarbij moet je wel bedenken dat Hethietische teksten zich nogal moeilijk laten dateren.19 Wat echter tijdloos is, zijn de literaire kwaliteiten van het verhaal zelf, alsmede de redenen voor het vertrek van de god, de gevolgen van zijn afwezigheid en de panische reactie die daarop volgde.20
We zien de opmerkelijke menselijkheid van de Hethietische goden terugkomen bij de aanleiding van de best bewaard gebleven versie van de mythe die Telipinu’s verdwijning optekent.21 Want hij vertrekt uit boosheid.22 Het wordt misschien zelfs geïmpliceerd dat hij weg stampvoette! En verderop in het verhaal reageert de godheid met woede als dieren en andere goden trachten hem terug te vinden. In dat laatste geval hanteert Telipinu een bliksemschicht en sommige geleerden suggereren daarom dat Telipinu gezien kan worden als een stormgod naast zijn bemoeienis met vegetatie.23 En deze woede kan leiden tot nog meer schade – de verstoorde Telipinu begint hele steden te slopen, hetgeen zijn wrok een dankbaar onderwerp zou maken voor een moderne rampenfilm. Het is alleen met behulp van smeekbeden en offerandes dat men de godheid terug kan lokken en zo ecologische rampen, die de wereld sinds zijn vertrek teisterden, kan remediëren.
Wat ons vandaag interesseert – hoe gaaf bliksemschichten en offerandes die een god weten te vermurwen ook moge zijn – zijn de voornoemde ecologische gevolgen van Telipinu’s verdwijning. Want dit deel van de mythologie rondom Telipinu kan ons helpen bij het hoogst ingewikkelde onderzoek van de verhouding tussen vroegere samenlevingen en de landschappen die zij als natuur beschouwden.24 Zoals we kunnen zien in de al eerder aangehaalde best bewaarde versie, wanneer hij vertrekt neemt de god veel van de benodigdheden voor het overleven in de Hethietische samenlevng met zich mee. Vervolgens sterft het land: gewassen groeien niet langer en levende wezens kunnen niet meer zwanger worden:25
r. 10. DTe-li-pi2-nu-ša ar-ḫa i-ia-an-ni-iš ḫal-ki-in Dim-mar-ni-in
r. 11. ša-al-ḫi-an-ti-en ma-an-ni-it-ti-en3 iš-pi2-ia-tar-ra pe2-e-da-aš gi-im-ri
r. 12. ⸢u2⸣-e-el-lu-i mar-mar-aš an-da-an DTe-li-pí-nu-ša pa-it mar-mar-ri an-da-an
r. 13. u2-li-iš-ta še-e-ra-aš-še-iš-ša-an ḫa-le-en-zu ḫu-wa-i-iš nu nam-ma
r. 14. ḫal-ki-iš ZIZ2-tar U2-UL ma-a-i nu-za nam-ma GU₄ḪI.A UDUḪI.A DUMU.LÚ.U₁₉.LUMEŠ U2-UL
r. 15. ar-ma-aḫ-ḫa-an-zi […]
r. 10. Telipinu ging ook weg; en graan, de vruchtbaarheid van dieren
r. 11. weelde, wasdom en overvloed, hij nam het mee naar het weidse land26,
r. 12. naar de weide, naar het moeras. Telipinu betrad het moeras
r. 13. en werd er één mee.27 En de Ḫalenzu-plant groeide over hem heen. En vervolgens
r. 14. komen gerst en tweekoren niet langer tot wasdom. En vervolgens worden vee, schapen en mensen niet langer
r. 15. zwanger […]
Maar wat eigenaardig is en de reden waarom ik vandaag specifiek deze mythe bespreek, is dat zowel de flora nabij menselijke woonplaatsen als de vegetatie in de wildernis verdorren. En interessant genoeg worden beide als een zorgelijke ontwikkeling beschouwd, hetgeen onder andere duidelijk wordt door hun nevenschikking en de toon van de vertelling. Telipinu verwijderd weliswaar de vruchtbaarheid naar wilde plaatsen en wordt één met de moerassen waar hij in ballingschap gaat. Maar een aantal wilde plekken wordt net zozeer geraakt door zijn afwezigheid als de akkers en dieren die de mensheid voeden. Zoals de bergen en de bossen:28
r. 16. [ḪU]R.SAGDIDLI.ḪI.A ḫa-a-te-er ĜIŠḪI.A–ru ḫa-a-az-ta na-aš-ta par2-aš-du-uš U2-UL
r. 17. ⸢u2⸣-e-ez-zi u2–e-ša-e-eš ḫa-a-te-er PU2ḪI.A ḫa-a-az-ta nu KUR–ya an-da-an
r. 18. [k]a-a-aš-za ki-i-ša-ti DUMU.LU2.U₁₉.LUMEŠ DINGIRMEŠ-ša ki-iš-ta-an-ti-it ḫar-ki-ia-an-zi
r. 16. De bergen droogden op en het bos29 droogde op, zodat scheuten niet
r. 17. ontkiemen. De weiden droogden op en de bronnen30 droogde op zodat in het land
r. 18. hongersnood uitbrak. En de mensen en de goden, zij vergingen
En deze opvallende zorg voor het welzijn van de wildernis komen we ook tegen in de tweede versie van dit verhaal, waarbij bossen genoemd worden als plekken waar de woede van Telipinu niet moet komen, naast de eerder verwachte gedomesticeerde landschappen, zoals vruchtdragende velden en tuinen:31
r. 3. [pa-id]-du i-da-a-lu kar-pi2-iš kar-di-mi-ya-az
r. 4. [wa-aš-tú]l ša-a-u-wa-ar mi-ia-an-te-⸢ia⸣-[at A.ŠA3-ni]
r. 5. ⸢ĝišTIR⸣ ĝišKIRI₆ an-⸢da⸣ le-e pa-iz-[zi]
r. 3. Moge het kwaad, de woede, de wrok, de norsheid weggaan
r. 4. Maar moge de razernij in het vruchtdragende veld,
r. 5. bos en tuin niet gaan.
En deze ambigue rol van de wildernis, als een plek waarheen de zegeningen van het gebruikelijke mensenbestaan zijn verwijderd door een boze god, alsmede een plek die leidt onder diens afwezigheid en wrok, is niet onverklaarbaar. Want als we de overgeleverde Hethietische verhalen secuur lezen, komen we erachter dat de wildernis niet alleen maar als gevaarlijk en chaotisch werd gezien. Het was ook een plek waarvan de spirituele en materiële overvloed noodzakelijk was voor het leven in door mensen vormgegeven omgevingen, zoals steden.32 Je kon hier bijvoorbeeld veel bouwmaterialen vinden en de legitimiteit van de Hethietische koningen was deels afhankelijk van rituelen die plaatsvonden op wilde plekken.
Bossen zijn wellicht het duidelijkste voorbeeld van de ambigue rol van de wildernis in Hethietische verhalen. In onze mythe over de verdwijning van Telipinu, hebben ze tot nog toe vooral dienst gedaan als een wilde plek waarvan het verdorren toch betreurd wordt. Maar bossen waren ook zover weg, zo ondoordringbaar en zo ontoegankelijk, dat ze een goede verstopplaats vormden. In de derde en minst goed bewaarde versie van de mythe, lezen we over de dieren die aanvankelijk eropuit gestuurd werden om de god te vinden. En het is per slot de plichtmatige bij, nadat deze reeds uitgeput en hongerig is, die Telipinu vindt terwijl de godheid zich verbergt in een bos:33
r. 1. [pa-i-ta-aš] NIM.⸢LAL3⸣-aš par2-ga-mu-uš ḪUR.S[AGMEŠ–uš ša-an-aḫ-ta ḫa-a-ri-uš-kan2]
r. 2. [ḫal-lu-wa?–]mu-uš ša-aḫ-ta ḫu-wa-an-ḫu-e[š-šar-kán ku-wa2-li-u2]
r. 3. [ša-aḫ-ta ŠA3]-it-za-ta2 LAL3-it zi-in-ne2-e[t] […]
r. 4. [zi-in-n]i–it na-an u2-e-el-lu-i U[RUli-iḫ-z]i-ni ĝišTIR[-ni u-e-mi-ya-at]
r. 1. De bij ging en de hoge bergen doorzicht deze, de valleien
r. 2. de diep waren doorzocht deze, het diepe blauw
r. 3. doorzocht deze. De honing in diens binnenste was op. De […]
r. 4. was op. Maar het vond hem in een weide, in de nederzetting Liḫzina, in een bos.
In deze versie volgt de bij dan het eerdere advies van de moedergodin Ḫannaḫanna en steekt de hand en de voet van Telipinu om hem te wekken en te reinigen.34 Helaas maakt dit de godheid boos en hij veroorzaakt een deel van de voornoemde schade aan de door mensen gecreëerde omgevingen. Aangezien regelmatig gesuggereerd wordt dat de ons overgeleverde versies van deze mythe bedoeld waren om rituele opvoeringen te ondersteunen, is het leuk om na te denken hoe die gebeurtenissen zouden zijn uitgebeeld toentertijd.35 Wellicht denken sommigen van jullie nu dat Telipinu de bijensteken verdiend had vanwege zijn overhaaste vertrek en de gevolgen van zijn afwezigheid, maar laat ons niet te hard zijn voor deze god. In andere mythen is het namelijk Telipinu die de goden, de mensen en andere sterfelijke wezens helpt door de zon terug te brengen die was ontvoerd door de zeegod – en voor zijn moeite mag hij uiteindelijk met de dochter van de zeegod trouwen!36
Conclusie: toen Telipinu in de vergetelheid raakte
De Hethietische religie, voor zover we die uit onze bronnen begrijpen, was nauw verweven met de samenlevingen van het oude Anatolië en de instituties van het gelijknamige koninkrijk.37 En na het definitieve uiteenvallen van het Koninkrijk van de Hethieten – iets wat regelmatig gebeurde, om eerlijk te zijn, maar tot de twaalfde eeuw voor onze jaartelling herpakten ze zich steeds – verliezen we ons zicht op hun goden. Er waren echter wel de zogenoemde Neo-Hethietische staten, voornamelijk in noordelijk Syrië, waar sommige gebruiken van het eerdere koninkrijk voortleefden.38 En later in de geschiedenis van de oudheid vereerden de Grieken een god die Telephus heette. Hedendaagse geleerden verbinden deze god soms voorzichtig met Telipinu.39 Maar ook de religies die werden beleden in de Neo-Hethietische en oud-Griekse maatschappijen zouden niet beklijven en uiteindelijk raakte Telipinu volkomen vergeten. En het was pas vrij recent dat archeologen de teksten en andere bewijzen van zijn eertijdse bestaan en eredienst vonden.
De regio die nu Anatolië wordt genoemd verschilt aanmerkelijk van de wereld waarin de Hethieten leefden. Toentertijd waren deze gebieden sterk bebost, maar nu is het subcontinent vrij droog.40 Dus misschien valt er toch wat te zeggen voor de bezorgdheid van de mensen in de oudheid dat het in de vergetelheid raken van bepaalde goden de vruchtbaarheid van het land zou beïnvloeden. Ik maak uiteraard een grapje, maar tegelijkertijd kan het weinig kwaad om de goden te gedenken die ooit mensen vertroosten bij hun ontberingen, of we dit nu doen met een blog of in een literair tijdschrift. Op zijn minst verkrijgen we op die manier een klein beetje meer kennis over de impact die het klimaat kon hebben op menselijke samenlevingen – hoe lang geleden dan ook. En met een beetje geluk helpt deze kennis ons bij het reflecteren op onze eigen milieucrises.

Voetnoten
- Naomi Harris (vertaler), “Telipinu Went; They Sent an Ox; The Moon that Fell from Heaven”, Paris Review 2025, 73 (253), p. 8-11.
- Gary Beckman, “Telipinu A”, in: Michael P. Streck et al (red.), Reallexicon der Assyriologie und Vorderasiatischen Archäologie: Vol. 13 – Spinnen – Tiergarten (Berlin, Walter de Gruyter, 2013), p. 510; Harry A. Hoffner, Hittite Myths, Edited by Gary Beckman (Atlanta: Scholars Press, 1998), p. 14.
- Trevor Bryce, The Kingdom of the Hittites (New York: Oxford University Press, 2005), p. 5-6.
- Ilya Yakubovich, “Hittite”, in: Rebecca Hasselbach-Andee (red.), A Companion to Ancient Near Eastern Languages (Hoboken: John Wiley & Sons, 2020), p. 222-223; Bryce, The Kingdom of the Hittites, p. 12-19; Dennis R.M. Campbell, “Hurrian”, in: Rebecca Hasselbach-Andee (red.), A Companion to Ancient Near Eastern Languages (Hoboken: John Wiley & Sons, 2020), p. 203.
- “The whole cosmos throbbed with supernatural life”, zie: Trevor Bryce, Life and Society in the Hittite World (Oxford: Oxford University Press, 2002), p. 135. Zie ook: Gojko Barjamovic, “Before the Kingdom of the Hittites: Anatolia in the Middle Bronze Age”, in: Karen Radner, Nadine Moeller & Daniel T. Potts (red.), The Oxford History of the Ancient Near East: Volume II (Oxford: Oxford University Press, 2022), p. 511.
- David P. Wright, “Anatolia: Hittites”, in: Sarah Iles Johnston (red.), Religions of the Ancient World: A Guide (Cambridge: The Belknap Press of Harvard University Press, 2004), p. 189.
- Ekrem Akurgal, The Art of the Hittites (New York: Harry N. Abrams, 1962), p. 76; Bryce, Life and Society in the Hittite World, p. 136.
- Wright, “Anatolia”, p. 189.
- Bryce, Life and Society in the Hittite World, p. 135.
- Wright, “Anatolia”, p. 189-190; Bryce, Life and Society in the Hittite World, p. 143, 145. De identiteit van de moeder van Telipinu is nog onduidelijk, zie: Romina della Casa, “A Theoretical Perspective of the Telepinu Myth: Archetypes and Initiation Rites in Historical Contexts”, Antiguo Oriente: Cuadernos del Centro de Estudios de Historia del Antiguo Oriente 2010, 8 (1), p. 100.
- Bryce, Life and Society in the Hittite World, p. 139.
- Wright, “Anatolia”, p. 189; Bryce, Life and Society in the Hittite World, p. 145.
- René Lebrun: “Myth and Sacred Narratives – Anatolia”, in: Sarah Iles Johnston (red.), Religions of the Ancient World: A Guide (Cambridge: The Belknap Press of Harvard University Press, 2004), p. 588. Vanwege onze gebrekkige kennis van het Hattisch, is zijn naam moeilijk te ontleden. Het element –pinu betekende waarschijnlijk ‘zoon’. Het element Tele- is onduidelijker, naar wordt soms vertaald als ‘verheven’, zie: Della Casa, “A Theoretical Perspective of the Telepinu Myth”, p. 100, noot 11; Beckman, “Telipinu A.”, p. 509; José V. García Trabazo, Textos Religiosos Hititas: Mitos, Plegarias y Rituales (Madrid: Trotta. 2002), p. 106.
- En dit is een koning, wier edicten bijzonder invloedrijk waren en vaak als een soort van Hethietische grondwet worden beschouwd, zie: Richard Haase, “Darf Man den Sog. Telipinu-Erlaß eine Verfassung Nennen?”, Die Welt des Orients 2005, 35 (1), p. 56-57. Eén van de zoons van koning Šuppiluliuma, wier daden en familie een heerlijke tv-serie zouden opleveren, heette ook Telipinu, zie: Bryce, The Kingdom of the Hittites, p. 159.
- Gary Beckman, “Hittite Religion”, in: Michele Renee Salzman (red.) The Cambridge History of Religions in the Ancient World – Volume I (Cambridge: Cambridge University Press, 2013), p. 88.
- Bryce, Life and Society in the Hittite World, p. 139.
- René Lebrun: “Myth and Sacred Narratives – Anatolia”, p. 588.
- En dit zijn inderdaad aparte versies en niet simpelweg diverse manuscripten van een enkel verhaal, zie: García Trabazo, Textos Religiosos Hititas, p. 108.
- Voor de Telipinu mythe, zie: Della Casa, “A Theoretical Perspective of the Telepinu Myth”, p. 98; Bryce, Life and Society in the Hittite World, p. 211-212. Voor die algemene moeilijkheid, zie: Mario Liverani, Myth and Politics in Ancient Near Eastern Historiography, geredigeerd door Zainab Bahrani & Marc van de Mieroop (Londen: Equinox, 2004) p. 27.
- Voor de geleerde discussie over de literaire kwaliteiten van de Telipinu mytthe, zie: Rita Francia & Matteo Vigo, “The Myth of Telipinu: A Work of Poetry or Prose?”, Oriens Antiquus: Series Nova 2024, 6 (1), p. 27-28.
- Aangezien deze teksten bewaard zijn in het spijkerschrift op kleitabletten die vaak beschadigd of zelf verpulverd zijn, is het een hele klus om de bronnen te vinden waarop de diverse versies die moderne geleerden hebben gereconstrueerd gebaseerd zijn. De versie waar ik hieraan refereer kan grotendeels op twee fragmenten worden gevonden die gepubliceerd zijn in deel 17 en 55 van de serie Keilschrifturkunden aus Böghazköi, en deze worden vaak aangevuld met fragmenten uit deel 33 van die serie, zie: Hans Ehelolf, Keilschrifturkunden Aus Boghazköi – Vol. 17 (Berlin: Akademie Verlag, 1926), plaat X; Helmut Freydank, Keilschrifturkunden Aus Boghazköi – Vol. 55 (Berlin: Akademie Verlag, 1985), plaat VIII; Heinrich Otten, Keilschrifturkunden Aus Boghazköi – Vol 33 (Berlin: Akademie Verlag, 1943). Voor een uitgebreider overzicht van de bronnen die we hebben voor deze mythe, zie: Franca Pecchioli Daddi & Anna Maria Polvani, La Mitologia Ittita (Brescia: Paideia Editrice, 1990), p. 71.
- Craig Melchert, “Marginalia to the Myth of Telipinu”, in: Šárka Velhartická (red.), Audias Fabulas Veteres: Anatolian Studies in Honor of Jana Součková-Siegelová (Leiden: Brill, 2016), p. 210.
- Hoffner, Hittite Myths, p. 14; Roger D. Woodard, “The Disappearance of Telipinu in the Context of Indo-European Myth”, in: Ronald I. Kim, Jana Mynářová & Peter Pavúk (red.), Hrozný and Hittite: The First Hundred Years (Leiden: Brill, 2020), p. 583.
- Romina della Casa, “Symbolic Representations of the Sacred Space/Landscape in the Telepinu Myth”, in: Piotr Taracha (red.), Proceedings of the 8th International Congress of Hittitology: Warsaw, September 5–9, 2011 (Warsaw: Wydawnictwo Agade, 2014), p. 263. Voor de turbulentie van dit soort onderzoek, zie: Tony Wilkinson, “Introduction to Geography, Climate, Topography, and Hydrology,” in: Daniel Potts (red.), A Companion to the Archeology of the Ancient Near East (Malden: Blackwell Publishing, 2012), p. 3-4.
- CTH 324, KBU 17.10, A i, l. 10-15. Voor de fragmenten van de originele kleitabletten, zie: Ehelolf, Keilschrifturkunden Aus Boghazköi – Vol. 17, plaat X. Voor het oorspronkelijke Hethietisch, zie: Emmanuel Laroche, Textes Mythologiques Hittites en Transcription – Premiere Partie: Mythologie Anatolienne (Paris: Klincksieck, 1965), p. 30, Voor de basis van deze vertaling, zie: Hoffner, Hittite Myths, p. 15. Zoals gebruikelijk is in de Hethietologie, worden leenwoorden uit het Soemerisch geschreven met HOOFDLETTERS en leenwoorden uit het Akkadisch met SCHUINGEDRUKTE HOOFDLETTERS, zie: Alwin Kloekhorst, Etymological Dictionary of the Hittite Inherited Lexicon (Leiden: Brill, 2008), p. 33.
- Het woord gimra-, kon zowel het gebied onmiddellijk buiten nederzettingen als verafgelegen, onbewoonde plaatsen aanduiden, zie: Francesco G. Barsacchi, “Wilderness and Liminal Spaces in Hittite Religious Thought”, in: Elisabetta Cianfanelli en Fiammetta Gori (red.), Níĝ-ba Dub-sar Maḫ: Studies on Ebla and the Ancient Near East presented to Amalia Catagnoti (Rome: Edizioni Quasar, 2024), p. 62.
- Het Hethietische woord ulišta is vrij raadselachtig. Mijn eerste indruk, gebaseerd op het gebruik van deze frase in andere teksten, is dat de god zich verborg in het moeras. Maar ik ga voor de zekerheid mee in de interpretatie van Roger Woodard, zie: Woodard, “The Disappearance of Telipinu in the Context of Indo-European Myth”, p. 588.
- CTH 324, KBU 17.10, A i, l. 16-18. Voor de fragmenten van de originele kleitabletten waarop deze versie van de mythe die moderne geleerden hebben gereconstrueerd is gebaseerd, zie: Ehelolf, Keilschrifturkunden Aus Boghazköi – Vol. 17, plaat X. Voor het oorspronkelijke Hethietisch, zie: Laroche, Textes Mythologiques Hittites en Transcription – Premiere Partie, p. 30. Voor de basis van deze vertaling, zie: Hoffner, Hittite Myths, p. 15.
- Mijn vertaling van ‘ĜIŠḪI.A–ru’, als ‘bos’ in plaats van ‘bomen’ vereist enige uitleg. In de eerste helft van de zin, zien we twee vormen van het ḫi-vervoegde werkwoord hād, oftewel ‘opdrogen’, zie: Johannes Friedrich, Kurzgefaßtes Hethitisches Wörterbuch (Heidelberg: Carl Winter Universitätsverlag, 1991), p. 64. Eerst zien we de vorm ḫa-a-te-er, de derde persoon meervoud in het preteritum, gevolgd door ḫa-a-az-ta, oftewel de derde persoon enkelvoud in het preteritum. Overwegende dat het Soemerogram ĜIŠ gevolgd wordt door hetzelfde Soemerische meervoud ḪIA.A als de voorgaande bergen, is de enkelvoudige werkwoordsvorm hier opmerkelijk. Dit heeft te maken met het feit dat bij zelfstandig naamwoorden van de Hethietische neutrum-klasse, zoals taru – hetgeen ‘hout’ of ‘boom’ betekent – en dat achter deze Soemerogrammen schuilgaat, het meervoud samengaat met een enkelvoudige werkwoorsvorm, zie: : Harry A. Hoffner & Craig Melchert, A Grammar of the Hittite Language (Winona Lake: Eisenbrauns, 2008), p. 319. Dus we lezen hier dus letterlijk ‘bomen’, maar toch wordt dit vaak als ‘bos’ vertaald door Hethietologen, zie: Hoffner, Hittite Myths, p. 15. Doorheen de Hethietische terminologie worden bossen daarnaast geassocieerd met bergen, dus de nevenschikking kan hier mede als bewijs worden gezien, zie: Gabriella Frantz-Szabó, “Wald (forest) B. bei den Hethitern”, in: Erich Ebeling, Bruno Meissner & Michael P. Streck (red.), Reallexikon der Assyriologie und Vorderasiatischen Archäologie: Vol 14 – Tiergefä͵- Waša/Ezzil(i)) (Berlin: De Gruyter, 2014), p. 637-638.
- Net als met bossen hierboven, zie de eerdere noot 29, betreft de tweede werkwoordsvorm in de opsomming wederom de derde persoon enkelvoud in het preteritum. Ook het Hethietische woord voor bronnen, dat hier schuilgaat achter het Soemerogram PU2 gevolgd door de meervoudsmarkering ḪI.A, is een zelfstandig naamwoord van de neutrum-klasse die in het meervoud samengaat met een werkwoordsvorm in het enkelvoud.
- CTH 324, KBU 33.8, D iii, l. 3-5. Voor de fragmenten van de originele kleitabletten waarop deze tweede versie is gebaseerd, zie: Otten, Keilschrifturkunden Aus Boghazköi – Vol 33, plaats 4-8. Voor het oorspronkelijke Hethietisch, zie: Laroche, Textes Mythologiques Hittites en Transcription – Premiere Partie, p. 43 Voor de basis van deze vertaling, zie, zie: Hoffner, Hittite Myths, p. 19.
- Della Casa, “A Theoretical Perspective of the Telepinu Myth”, p. 107; Michel Mazoyer, “Connexions entre la Nature Sauvage et la Nature domestiquée a l’Époque Hittite”, in: Michel Mazoyer & Jorge Pérez Rey (red.), L’Homme et la Nature: Histoire d’une Colonisation (Actes du Colloque International Tenu les 3 et 4 Décembre 2004 à l’Institut Catholique de Paris) (Paris: L’Harmattan 2006), p. 261-266.
- CTH 324, KBU 33.10, B ii, l. 1-5. oor de fragmenten van de originele kleitabletten waarop deze derde versie is gebaseerd, zie: Otten, Keilschrifturkunden Aus Boghazköi – Vol 33, plaats 9-10. Voor het oorspronkelijke Hethietisch, zie: Laroche, Textes Mythologiques Hittites en Transcription – Premiere Partie, p. 45. Voor de basis van deze vertaling, zie: Hoffner, Hittite Myths, p. 20.
- Della Casa, “A Theoretical Perspective of the Telepinu Myth”, p. 105. Een andere analyse is dat de bij de godheid niet steekt, laat staan tweek keer, maar dat het insect de godt (vast)bindt teneinde hem te zuiveren of terug, ze brengen, zie: Willemijn Waal, “Ties that Bind: A New Interpretation of the Hittite Verb šai-/šiye-”, Anatolica 2023, 49 (1), p. 198.
- Bryce, Life and Society in the Hittite World, p. 211-213.
- Hoffner, Hittite Myths, p. 26-27; Harry A. Hoffner & Craig Melchert, A Grammar of the Hittite Language (Winona Lake: Eisenbrauns, 2008), p. 299.
- Gary Beckman, “Hittite Religion”, in: Michele Renee Salzman (red.) The Cambridge History of Religions in the Ancient World – Volume I (Cambridge: Cambridge University Press, 2013), p. 84-101.
- Hoewel dit verrassend moeilijk is om te onderzoeken, zie: Trevor Bryce, The World of the Neo-Hittite Kingdoms: A Political and Military History (Oxford: Oxford University Press, 2012), p. 1-3.
- Beckman, “Telipinu A”, p. 511.
- Walter Dörfler et al, “Environment and Economy in Hittite Anatolia”, in: Hermann Genz & Dirk Paul Mielke (red.), Insights into Hittite History and Archaeology (Leuven: Peeters, 2011), p. 101; Barjamovic, “Before the Kingdom of the Hittites”, p. 497-498. Voor de algemene veranderingen tussen de vegetatie in de oudheid en vandaag de dagy, zie: Allen S. Gilbert, “The Flora and Fauna of the Near East”: in: Jack M. Sasson (red.), Civilizations of the Ancient Near East (New York: Charles Scribner’s Sons, 1995), p. 154-163.