Weet je wat een ontgoochelend feitje is dat mij met beide benen stevig op de grond houdt? Dat er ooit een tijd was – hoe moeilijk voorstelbaar ook – dat mensen niet de machtige en aloude Mesopotamische god Marduk vereerden. En weet je wat nog relativerender werkt? Dat op een gegeven moment mensen stópten met het vereren van Marduk! Vandaag zullen we daarom kijken naar de opkomst en teloorgang van deze indrukwekkende Mesopotamische god, van wie niemand in het tweede millennium voor onze jaartelling had kunnen bevroeden dat deze zijn voorname positie ooit zou kwijtraken.1 Maar niets is voor altijd en wanneer de tijdperken elkaar in rap tempo opvolgen, kunnen zelfs goden in de voetnoten van de geschiedenis belanden. Welkom bij het tweede deel van mijn altijd opbeurende serie over vergeten goden!
Zoals gezegd, was Marduk vooral thuis in het Mesopotamië van de oudheid. Dit historische gebied wordt tegenwoordig omvat door het moderne Irak en delen van Syrië en Türkiye. De geschreven bronnen uit Mesopotamië en de aanpalende regio’s bestaan voornamelijk uit kleitabletten.2 Het gros van deze tabletten was beschreven met het beroemde spijkerschrift, waarmee vele oude talen werden geschreven. Van het redelijk onbekende Eblaïtisch tot de taal die faam verwierf als de oudste overgeleverde Indo-Europese taal, het Hethietisch.3 Om de wederwaardigheden van Marduk na te gaan, hebben we voornamelijk twee oude talen nodig: het Soemerisch en het Akkadisch. Voor de duidelijkheid en zoals dat gebruikelijk is, geef ik Soemerische woordtekens weer in VETTE, KLEINE HOOFDLETTERS, waarbij de bijbehorende fonetische complementen alleen maar vet zijn, en zal ik Akkadisch schuin opschrijven.4 Zulk een zorgvuldigheid zou Marduk zelf waarschijnlijk geplezierd hebben, want zijn zoon Nabû was ooit de Mesopotamische god van de schrijfkunst.5
Dit blog is ook beschikbaar in het Engels.
De opkomst van Marduk
Op basis van ons huidige bewijs is het moeilijk om vast te stellen of de eredienst van Mardurk reeds bestond voorafgaand aan het tweede millennium voor onze jaartelling.6 Maar wat wel zeker is, is dat de opkomst van Marduk samenviel met de toenemende politieke invloed van de stad Babylon. Vooral toen koning Hammurabi, die regeerde van 1792 tot 1750 v.Chr., veel van Mesopotamië onder de heerschappij van zijn stad bracht, ging Marduks gelukkige gesternte gelijk op met dat van hem.7 De god was een ster – vrij letterlijk zelfs! Want het hemellichaam dat wij nu aanduiden als Jupiter kwam bekend te staan als de “Marduk ster”.8 En Marduks vooraanstaandheid was niet strikt verbonden met de staat uit de Oud-Babylonische tijd waaronder hij zijn aanvankelijke prominentie verwierf. Uiteindelijk zou het imposante Nieuw-Assyrische Rijk, dat zijn thuisbasis had ten noorden van Babylon, de Marduk-theologie overnemen zoals deze in Babylonië tot stand was gekomen.9 En in het Nieuw-Babylonische Rijk dat gesticht zou worden op de ruïnes van de Nieuw-Assyrische staat, waren de priesters die zich aan Marduk hadden gewijd een belangrijke machtsfactor.10
En de eredienst van Marduk die in stand werd gehouden door deze priesters was me toch wat! Marduks voornaamste tempel was het Esagila-complex te Babylon – verrassing! – en hier vond men ook een imponerende ziggoerat.11 Dit was een gigantische structuur in vorm van een trappiramide die de Soemerische naam E2.TEMEN.AN.KI, oftewel ‘Tempel van de fundering van hemel en aarde’, droeg.12 Tussen twee haakjes, als mij de kans werd geboden om terug te reizen in de tijd zou ik sowieso het zogenoemde Akītu-festival in het oude Babylon bijwonen. Dit kleurrijke festival luidde het nieuwe jaar in en hernieuwde de relatie tussen de koning als vertegenwoordiger van de bevolking en de bovennatuur.13 Belangrijker wellicht voor tijdreizigers die geïnteresseerd zijn in Marduk: dit was ook de kans voor gewone mensen om het beeld van die god te zien. Een beeld waarvan men waarlijk dacht dat het een manifestatie van de bovennatuurlijke aanwezigheid was.14 Want dit festival was eveneens de gelegenheid waarbij Marduks autoriteit over de andere goden bestendigd werd.15 Vanwege diens enorme tempelterrein en zulke festivals was de eredienst van Marduk daarbij van economisch en cultureel belang – naast zijn religieuze impact, natuurlijk.16
De doorbraak van Marduk lijkt wel ten koste te zijn gegaan van het relatieve belang van sommige andere goden. Hij nam vaak eigenschappen van deze goden over of verving hen in hun eigen mythologieën. Marduk eigende zich bijvoorbeeld de positie toe van Asalluhi, een god die zich bezighield met geneeskunde, magie en de ondergrondse waterwegen. Op die manier eindigde Marduk zich deze goddelijke taken toe en werd hij de zoon van een gewichtige Mesopotamische god, die in het Soemerisch bekendstond als Enki en in het Akkadisch als Ea.17 De voornoemde opkomst van Marduk erd ook bewerkstelligd, naast andere strategieën, met behulp van mythen waarin de Babylonische god de enige was die de vijanden van de andere goden kon verslaan en een passende orde in de wereld kon brengen of herstellen.18 In het beroemdste relaas hiervan, de scheppingsmythe Enuma Elisj, werd Marduk niet alleen hoofd van het Mesopotamische pantheon, maar verwierf hij ook vijftig titels die gedeeltelijk werden overgenomen van andere godheden.19 En sommige van deze mythen waren simpelweg bewerkte versies van verhalen die eerder over andere goden gingen. Net zoals het voorbeeld waar we ons nu toe zullen zetten.
De stichting van Eridu/Babylon
Als proeve van Marduks verheven positie ten opzichte van de andere goden, wilde ik met jullie een tekst bespreken die relatief onbekend is buiten de academische wereld maar die mij desalniettemin fascineert. Deze tekst vele namen gekregen van hedendaagse geleerden, waarvan de belangrijkste Marduk, schepper van de wereld en De stichting van Eridu zijn.20 Wat de zaak ingewikkeld maakt, is dat de naam ‘Eridu’ in dit verhaal waarschijnlijk gebruikt wordt als aanduiding voor Babylon. Naast andere aanwijzingen, kunnen we dit opmaken uit het feit dat de beroemdste tempel van Babylon tempels, het Esagila complex, blijkbaar op deze plek te vinden is!21 Om veilig te blijven, volg ik daarom Kerstin Maiwald en noem ik de tekst De stichting of Eridu/Babylon.22
In deze tweetalige bezwering, waarbij iedere zin zowel in het Soemerisch als het Akkadisch is geschreven, schept Marduk eerst de wereld en daarna richt hij deze in op een manier die de Mesopotamiërs die deze tekst schreven, lazen of hoorden lezen vertrouwd was. Relevanter voor onze onderneming is echter het feit dat deze tekst ooit een andere hoofdpersoon – of beter gezegd, hoofdgod? – had. Een god die zetelde in de voornoemde stad Eridu en die we reeds hierboven ontmoet hebben. Dit was de god die de Soemeriërs kenden als Enki en de Akkadiërs als Ea.
Dat deze tekst ooit over Enki/Ea ging als schepper van de wereld kan volgens mij onderbouwd worden met drie argumenten. Te weten: a de eerder genoemde gelijkstelling van Eridu met Babylon; b. een opmerkelijke aanduiding van Marduk in de Soemerische versie; en c. onomstotelijk geschreven bewijs dat Enki/Ea ooit de hoofdrol speelde in dit verhaal.
Om met Eridu te beginnen, dit was op zichzelf ook al een beroemde stad. Sterker nog, Eridu werd lang gezien als de eerste stad en dit is waarschijnlijk de reden dat Babylon met dit label werd aangeduid in onze tekst. Teneinde met het prestige van de eerste nederzetting ooit geassocieerd te worden. Aangezien Eridu daarnaast de stad was waar Enki/Ea geacht werd te resideren, is dit de eerste aanwijzing dat onze tekst ooit betrekking had op deze god in plaats van op Marduk.23
Dan gaan we naar een regel waarin beschreven wordt hoe Marduk het eerste droge land creëerde – geen onbelangrijk deel van de schepping! Hierbij is zijn naam in de Soemerische variant van de zin geschreven als Gilimma. Laat ons een korte blik werpen op dit deel van de tekst:24
l. 17 DGI–LIM–MA GIDIRI I–BI2-na a nam-mi-ni-in-KEŠDA
Dmarūtuk a-ma-am ina pa-an me-e ir-ku-us
l. 18 SAḪAR-ra i3–MU2-a KI A–DAG nam-mi-in-DUB
e-pi-ri ib-ni-ma it-ti a-mi iš-pu-uk
l. 19 DIĜIR-re-e-ne KI–TUŠ ŠA-DU10-ga bi-in-du2-ru-ne-eš-a-ba25
IlāniMEŠ ina šu-bat ṭu-ub lib-bi ana šu-šu-bi
l. 17 Marduk knoopte een vlot op het wateroppervlak
l. 18 Hij schiep aarde en hoopte die op het vlot
l. 19 Opdat de goden konden verwijlen in verblijven die hun bekoorden
Gilimma, zoals je waarschijnlijk al geraden hebt, was een andere naam of eretitel voor Enki/Ea. En dit is één van de namen die Marduk uitdrukkelijk werd toegekend in de hierboven besproken scheppingsmythe Enuma Elish.26 Een verdere aanwijzing, wellicht, van de eertijdse rol van Ea/Enki in deze tekst.
Maar ons derde bewijsstuk is het meest overtuigend, denk ik. We hebben namelijk een fragment van een versie van deze tekst, als de moderne reconstructie tenminste klopt, waarin Enki/Ea daadwerkelijk bij die namen genoemd wordt! Als we deze claim willen onderbouwen, moeten we echter eerst vertrouwd raken met de opmerkelijke indeling van deze tekst. Zij is, zoals gezegd, tweetalig. Meer specifiek, zoals we hierboven al zagen, hebben we een Soemerische en Akkadische versi. Maar deze wisselen elkaar niet simpelweg af, zoals ik ze hierboven weergaf. Op het kleitablet begint elke regel met de eerste helft van de Soemerische zin, dan volgt de volledige Akkadische zin en tot slot sluit de tweede helft van de Soemerische zin de regel af.27 En dit is een lay–out die niet ongebruikelijk was voor teksten zoals deze, die uit het Mesopotamië van het eerste millennium voor onze jaartelling komen.28 Maar ik kan mij voorstellen dat dit moeilijk voor je te zien is! Daarom heb ik hieronder een fictioneel voorbeeld bedacht om één en ander minder abstract te maken. Hierbij is de Soemerische vertaling voor de duidelijkheid eenmalig volledig met hoofdletters geschreven en de zin betekent: de koning bouwde het voor haar.

Waarom is dit relevant voor onze bewijsvoering. Welnu, in het best bewaarde manuscript van onz tekst – degene die we hierboven hebben gelezen en waarin Marduk voortdurend genoemd wordt – ontbreekt het begin van regel 32. En vanwege de besproken indeling van het kleitablet is daarom alleen het laatste deel van zowel de Soemerische als de Akkadische zin bewaard gebleven:29
l. 32 […] ĜIŠGI PA–RIM4 bi-[in-GAR]
[…] tam-tim a-pa na-ba-la iš-ku-un
l. 32 […] maakte droog land van de rietvelden
Maar wonder boven wonder hebben we een fragment van een ander kleitablet gevonden dat precies in de beschadigde tekst past. En om mijn leven een keer makkelijker te maken, is de lay-out hiervan ook nog eens simpeler! De Soemerische en Akkadische zinnen wisselen elkaar gewoon af op verschillende regels. En zowaar: hier is Enki/Ea degene die zich onledig houdt met de schepping:30
l. 3-4 DEN-KI A–AB–BA-ke4 ĜIŠGI PA–RIM4 […]
Dea31 tam-tim a-pu u na-ba-lu […]
l. 3-4 Enk/Ea […] droog land van de rietvelden.
De rechterkant van dit fragmentarische kleitablet is helaas gebroken, dus ook hier eindigen beide zinnen vroegtijdig. Maar vanwege de opmerkelijke lay-out van ons beter bewaarde manuscript hebben we genoeg informatie om er zeker van de zijn dat dit kleine fragment inderdaad een versie is van de Soemerische en Akkadische zinnen die we op regel 32 van het eerder besproken kleitablet vonden. En aangezien we zowel het Soemerisch als het Akkadisch hebben, is het minder waarschijnlijk dat de naam van de god een foutje is of een gevolg van het gebrek aan kennis van de Soemerische taal dat sommige geleerden in deze tekst ontwaren.32 Dat maakt het zo spannend dat we aan het begin van beide zinnen duidelijk de namen Enki en Ea geschreven zien staan in het spijkerschrift dat beide talen weergeeft. Op basis hiervan – in combinatie met het vervangen van Eridu door Babylon en de overgenomen titel Gilimma – kunnen we beweren dat er niet alleen een eerdere versie van deze tekst was, maar dat deze specifiek gewijd was aanEnki/Ea.33
En deze illustratie van de opkomst van Marduk brengt ons terug bij de vraag die we in dit blog proberen te beantwoorden. Hoe kon zo’n toonaangevende god – een god die zich zowel de posities als de verhalen van andere godheden eigen maakte – ooit vergeten raken?
Marduks teloorgang
Het plaatselijke geloof in Marduk is moeilijk te onderzoeken. Maar we weten wel dat het pas relatief lang na de verheffing van Marduk was, dat we de naam van deze god als element in persoonsnamen, op privézegels en in gebeden tegenkomen.34 En ondanks diens aanzien en invloed, was de eredienst van Marduk vrij kwetsbaar. Soms werd het godenbeeld bijvoorbeeld gestolen door rivaliserende staten en moest het terugveroverd worden door de Babyloniërs. Maar zelfs deze tegenslagen konden worden ingezet om de positie van Marduk verder te versterken. Sommige van de verhalen waarin hij zijn autoriteit verwierf over de andere goden, werden zelfs geschreven nadat het godenbeeld wederom terug was gekomen uit een eerder ballingschap.35
Toen Babylon werd opgenomen in grotere wereldrijken, van de Assyriërs en de Perzen tot de erfgenamen van Alexander III van Macedonië, was Marduk niet langer de (enige) god die het aardse gezag van koningen schraagde en was het lot van zijn eredienst zeer wisselvallig. Sommige van deze nieuwe leenheren steunden de eredienst en onderhielden het Esagila-complex, terwijl andere het complex trachten te vernietigen en het belang van de god Marduk verminderden.36 Maar na het voornoemde langzame begin had de verering van Marduk diepe wortels geslagen in Mesopotamië in het algemeen en Babylon in het bijzonder. En het was in deze gebieden dat de oude goden en hun erediensten nog lang belangrijk bleven in mensen hu sociale en religieuze leven onafhankelijk van wie er over hen regeerde – en Marduk nam regelmatig een prominente plek te midden van hen in.37
Een echt grondige verandering in deze situatie kwam met het Parthische rijk in de tweede eeuw voor het begin van onze jaartelling. En toen die jaartelling uiteindelijk een aanvang nam, was het spijkerschrift zo ongeveer verdwenen en werden de geloofsovertuigingen van de bevolking langzaam maar zeker een intrigerende mengelmoes van de diverse Assyrische, Babylonische, Perzische en Aramese religies, alsmede het jodendom en het christendom – met meer opties net aan de andere kant van de horizon.38
Toch was de oude eredienst van Marduk nog niet vergeten. Een getuigenis uit de derde eeuw na het begin van onze jaartelling vertelt ons dat er nog steeds mensen waren die de ruïnes van Babylon bezochten en zich verzamelden bij het Esagila-complex om hun geloof te belijden aan de voet van de ooit imponerende ziggoerat.39 Daarna vallen onze tekstuele en archeologische bronnen bijna helemaal stil. En de volgende keer dat we met enige zekerheid Marduk weer ontmoeten, voor zover ik kon vinden tenminste, is dat in een geschrift van de filosoof Damascus uit de zesde eeuw na het begin van onze jaartelling. Hij haalt de genealogie van de Mesopotamische goden aan, zoals deze gevonden kon worden in de scheppingsmythe Enuma Elisj – en nog best accuraat ook! Het mag een schrale troost zijn, maar een troost desalniettemin, dat één van de laatste vermeldingen van de Mesopotamische goden in de late oudheid verwees naar een tekst waarin Marduk gekroond werd als verlosser van de goden en hoofd van hun pantheon.40
Conclusie: Goden sterven toch nooit echt?
Op het hoogtepunt van zijn populariteit werd Marduk in veel van onze Akkadische teksten eenvoudigweg aangeduid als bēl, oftewel ‘de heer’.41 Het was in praktische zin eigenlijk niet nodig om aan te geven welke heer er bedoeld werd – als men zich niet verduidelijkte, zouden de meeste mensen toch wel aannemen dat het Marduk was. En zoals we al zagen, overleefde de verering van Marduk Babylon zelf. Terwijl de stad grotendeels verlaten werd rond de eerste eeuw na het begin van onze jaartelling, bleef het Esagila-complex nog zo’n tweehonderd jaar een belangrijk economisch en cultureel centrum.42 Maar de eredienst van Marduk was nu een privé-aangelegenheid. Toen de Romeinse keizer Trajanus bijvoorbeeld Babylon binnenging in de vroege tweede eeuw na het begin van onze jaartelling, bracht hij geen offers aan Marduk zoals Alexander III van Macedonië dat zo’n vierhonderd jaar eerder wel had gedaan tijdens zijn ontmanteling van het Perzische Rijk.43 En wie kan weten hoelang zo’n ondergrondse beweging werd voortgezet, voordat ook deze zich gewonnen moest geven aan het genadeloze verloop van de tijd?
Marduk noch zijn eredienst zouden echter verdwijnen zonder sporen achter te laten. In de late oudheid noemde de koning van Hatra, dat nu in noordelijk Irak ligt, de voornaamste tempel van zijn stad Esagila en refereerde hij aan de zonnegod die daar vereerd werd als ‘Bel’.44 Bovendien werd de eredienst van Bel zoals deze vorm had gekregen in Palmyra, een oude woestijnstad die tegenwoordig in Syrië te vinden is, aan het einde van de derde eeuw na het begin van onze jaartelling geïmporteerd naar Rome – jep, dát Rome!45 Als we vooruitspoelen naar ons huidige tijdvak, valt het op dat Marduk ook genoemd wordt in een boek dat nog steeds belangrijk is voor vele religieuze mensen overal ter wereld: de Bijbel.46 Het oude Mesopotamië kan daarnaast nog steeds ingezet worden om politiek gezag na te streven. Het meest berucht zijn wellicht de claims van de Iraakse dictator Saddam Hussein. Hij greep onder andere terug op beroemde beschermheren van Marduk in de oudheid, waaronder koning Hammurabi van Babylon.47 Tot slot zijn er nog al die andere culturele verwijzingen naar Marduk die men zeer regelmatig kan tegenkomen. Van metal bands tot hoaxen en samenzweringstheorieën.48 Nu ik hier toch over nadenk: in een bepaald opzicht lijken goden wel wat op artiesten. Zelfs als zij in de vergetelheid raken, leven ze verder via hun cutlurele nalatenschap – ten goede en ten kwade.

Voetnoten
- Takayoshi Oshima, “The Babylonian God Marduk”, in: Gwendolyn Leick (red.), The Babylonian World (Abbingdon: Routledge, 2007), p. 348.
- Christopher Woods, “The Emergence of Cuneiform Writing”, in: Rebecca Hasselbach-Andee (red.), A Companion to Ancient Near Eastern Languages (Hoboken: John Wiley & Sons, 2020), p. 27, 33.
- Amalia Catagnoti, “Eblaite”, in: Rebecca Hasselbach-Andee (red.), A Companion to Ancient Near Eastern Languages (Hoboken: John Wiley & Sons, 2020), p. 149-151; Theo P.J. van den Hout, The Elements of Hittite (Cambridge: Cambridge University Press, 2011), p. 1-2.
- Voor het Soemerisch, zie: Abraham H. Jagersma, A Descriptive Grammar of Sumerian (Dissertation Leiden University, 2010), p. 28-29. In Akkadische teksten komen we bij wijze van vlugschrift vaak Soemerische woordtekens tegen in plaats van hun Akkadische tegenhangers. Deze tekens worden door hedendaagse geleerden getranslitereerd met HOOFDLETTERS. Met uitzondering van determinatieven – tekens die slechts de betekenis van andere woorden aangaven en niet uitgesproken werden – heb ik deze hier vervangen met de onderliggende Akkadische woorden voor het gemak van de lezer, zie: John Huehnergard, A Grammar of Akkadian (Winona Lake: Eisenbrauns, 2005), p. 109. Zie ook mijn blog over het logo van Bildungblocks.
- De verering van Nabû kwam waarschijnlijk naar Mesopotamië in het vroege tweede millennium voor onze jaartelling en voor hij de zoon van Marduk werd, werd hij gezien als diens vizier, zie: Jeremy A. Black & Anthony Green, Gods, Demons, and Symbols of Ancient Mesopotamia: An Illustrated Dictionary (Austin: University of Texas Press, 1992), p. 133-134.
- Eén van de wijzen om zijn naam in spijkerschrift weer te geven, AMAR.UTU, lijkt te zijn gevonden in het derde millennium voor onze jaartelling, zie: Oshima, “The Babylonian God Marduk”, p. 356, noot 2. Maar vanwege de onbepaaldheid van dit bewijs kan men op grond ervan zowel Marduks aanwezigheid bevestigen als betwisten, zie bijvoorbeeld:: Black & Green, Gods, Demons, and Symbols of Ancient Mesopotamia, p. 127; Oshima, “The Babylonian God Marduk”, p. 348.
- Ivan Hrůša, Ancient Mesopotamian Religion: A Descriptive Introduction (Münster: Ugarit Verlag, 2015), p. 57.
- Francesca Rochberg, “Mesopotamian Cosmology”, in: Daniel C. Snell (red.), A Companion to the Ancient Near East (Hoboken: John Wiley & Sons, 2005), p. 327
- Paul-Alain Beaulieu, “World Hegemony, 900–300 BCE”, in: Daniel C. Snell (red.), A Companion to the Ancient Near East (Hoboken: John Wiley & Sons, 2005), p. 54.
- Sarah C. Melville, “Royal Women and the Exercise of Power in the Ancient Near East,”, in: Daniel C. Snell (red.), A Companion to the Ancient Near East (Hoboken: John Wiley & Sons, 2005), p. 227.
- Oshima, “The Babylonian God Marduk”, p. 355.
- Andrew R. George, “The Tower of Babel: Archaeology, History and Cuneiform Texts”, Archiv für Orientforschung 2005, 51 (1), p. 77. Voor ziggoerats, zie in het algemeen: Black & Green, Gods, Demons, and Symbols of Ancient Mesopotamia, p. 187-189.
- Het Akītu-festival is een breed onderwerp dat zijn eigen blog verdient. Voor een zeer beknopt overzicht dat ook het feit benoemd dat er meerdere van dit soort festivals doorheen het jaar konden zijn, hoewel het nieuwe jaar het belangrijkst bleef, zie: Nicole Brisch, “Ancient Mesopotamian Religion”, in: Daniel C. Snell (red.), A Companion to the Ancient Near East, 2nd Edition (Hoboken: John Wiley & Sons, 2020), p. 330-331.
- Voor cultusbeelden, zie in het algemeen: Hrůša, Ancient Mesopotamian Religion, p. 67-73. Voor het cultusbeeld van Marduk, zie: Oshima, “The Babylonian God Marduk”, p. 355-356.
- Hrůša, Ancient Mesopotamian Religion, p. 58.
- Oshima, “The Babylonian God Marduk”, p. 355.
- JoAnn Scurlock, “Ancient Mesopotamian Medicine”, in: Daniel C. Snell (red.), A Companion to the Ancient Near East (Hoboken: John Wiley & Sons, 2005), p. 313; Oshima, “The Babylonian God Marduk”, p. 349. Voor degenen die dit interessant vinden, er is er een mooie dissertatie geschreven over Asalluhi, zie: Andreas Johandi, The God Asar-Asalluhi in the Early Mesopotamian Pantheon (Tartu: Dissertation University of Tartu, 2019).
- Tawny L. Holm, “Literature”, in: Daniel C. Snell (red.), A Companion to the Ancient Near East (Hoboken: John Wiley & Sons, 2005), p. 256.
- Oshima, “The Babylonian God Marduk”, p. 349; Hrůša, Ancient Mesopotamian Religion, p. 57.
- Er zijn drie voornaamste soorten namen voor dit verhaal: a. degene die de stichting van Eridu aanhalen; b. degene die Marduks scheppingsdaden centraal stellen; en c. degene die het eventuele rituele gebruik van de tekst benadrukken. Voor voorbeelden van alle drie deze soorten namen voor onze tekst, zie: Wilfred G. Lambert, Babylonian Creation Myths (Winona Lake: Eisenbrauns, 2013), p. 366; Benjamin R. Foster, Before the Muses: An Anthology of Akkadian Literature, 3rd Edition (Bethesda: CDL press, 2005), p. 487; Claus Ambos, Mesopotamische Baurituale aus dem 1. Jahrtausend v. Chr. Dresden: Islet, 2004), p. 200.
- Lambert, Babylonian Creation Myths, p. 200, 367.
- Kerstin Maiwald, Mesopotamische Schöpfungstexte in Ritualen: Methodik Und Fallstudien Zur Situativen Verortung (Berlin: De Gruyter, 2021), p. 413.
- Lambert, Babylonian Creation Myths, p. 368-369; Black & Green, Gods, Demons, and Symbols of Ancient Mesopotamia, p. 77.
- Manuscript BM 93014 (82-5-22), voorkant, zie: Leonard W. King, Cuneiform Texts from Babylonian Tablets, &c. in the British Museum – Part XIII (Londen: The Trustees of the Brittish Museum, 1901), plate 36. Voor het spijkerschrift en de basis van mijn vertaling, zie: Ambos, Mesopotamische Baurituale aus dem 1. Jahrtausend v. Chr., p. 202-203; Lambert, Babylonian Creation Myths, p. 372-273. Mark Cohen is het niet eens met deze interpretatie van regels 17 en 18. Hij stelt voorzichtig voor dat Marduk hier werkte met rook of wierook, zie: Mark E. Cohen, An Annotated Sumerian Dictionary (Winona Lake: Eisenbrauns, 2023), p. 1124.
- Voor degenen die het afwijkende patroon opmerken: de werkwoordstam is hier fonetisch geschreven in plaats van met een woordteken. Het gaat om het werkwoord DURUM, de meervoudsvorm van ‘zitten’, zie: Jagersma, A Descriptive Grammar of Sumerian, p. 111.
- Lambert, Babylonian Creation Myths, p. 368; Ambos, Mesopotamische Baurituale aus dem 1. Jahrtausend v. Chr., p. 203.
- Regelmatig maar niet altijd wordt de eerste helft van de Soemerische zin gescheiden van de Akkadische zin met een scheidingsteken dat bestaat uit twee Winkelhaken (𒑱), zie: Rykle Borger, Mesopotamisches Zeichenlexikon (Münster: Ugarit Verlag, 2003), p. 184-185. Vanwege de duidelijkheid en omdat deze niet worden weergegeven in de meeste moderne tekstedities, heb ik ze eveneens weggelaten hier.
- Voor de indeling zoals die te vinden is op het oorspronkelijke kleiablet, zie: King, Cuneiform Texts from Babylonian Tablets, &c. in the British Museum – Part XIII, plate 35-39. Voor een bespreking van zulke lay-outs, zie: Jerold S. Cooper, Sumero-Akkadian Bilingualism (Chicago: Dissertation University of Chicago, 1969), p. 106.
- Voor deze transliteratie en de basis voor mijn vertaling, zie: Ambos, Mesopotamische Baurituale aus dem 1. Jahrtausend v. Chr., p. 204; Lambert, Babylonian Creation Myths, p. 373. Voor de schade aan het kleitablet, zie: King, Cuneiform Texts from Babylonian Tablets, &c. in the British Museum – Part XIII, plate 37.
- Manuscript BM 54652 (82-5-22, 972), achterkant. Zie voor het spijkerschrift, de transliteratie en de basis van mijn vertaling: Ambos, Mesopotamische Baurituale aus dem 1. Jahrtausend v. Chr., p. 204-205, 262.
- Written with the cuneiform sign IDIM that can be read as the name of the god, zie: Lambert, Babylonian Creation Myths, p. 372; Ambos, Mesopotamische Baurituale aus dem 1. Jahrtausend v. Chr., p. 204.
- Lambert, Babylonian Creation Myths, p. 368; Foster, Before the Muses, p. 487.
- Lambert, Babylonian Creation Myths, p. 368-369.
- Oshima, “The Babylonian God Marduk”, p. 349.
- Hrůša, Ancient Mesopotamian Religion, p. 58; Oshima, “The Babylonian God Marduk”, p. 351; Foster, Before the Muses, p. 376.
- En niet alle Babylonische koningen waren even sympathiek jegens Marduk, zie: Hrůša, Ancient Mesopotamian Religion, p. 58. Let op dat sommige verslagen over het negeren of tegenwerken van de eredienst van Marduk extra sterk aangezet of zelfs vervalsingen kunnen zijn met het oog op politieke doeleinden, zie: Stephanie Dalley, “Occasions and Opportunities: Persian, Greek, and Parthian Overlords”, in: Stephanie Dalley (red.), The Legacy of Mesopotamia (Oxford: Oxford University Press, 1998), p. 38.
- Paul-Alain Beaulieu, “Histories – Mesopotamia”, in: Sarah Iles Johnston (red.), Religions of the Ancient World: A Guide (Cambridge: The Belknap Press of Harvard University Press, 2004), p. 169, 172; Alison Salvesen, “The Legacy Of Babylon And Nineveh In Aramaic Sources”, in: Stephanie Dalley (red.), The Legacy of Mesopotamia (Oxford: Oxford University Press, 1998), p. 152.
- Lucinda Dirven, “Religious Continuity and Change in Parthian Mesopotamia: A Note on the Survival of Babylonian Traditions”, Journal of Ancient Near Eastern History 2014, 1 (2), p. 201-223; Paul-Alain Beaulieu, “Histories – Mesopotamia”, p. 172.
- Oshima, “The Babylonian God Marduk”, p. 356. Voor de mate waarin Babylon daadwerkelijk tot ruïnes was vervallen, zie noot 40 hieronder.
- Paul-Alain Beaulieu, “Histories – Mesopotamia”, p. 172.
- Hrůša, Ancient Mesopotamian Religion, p. 57. Hoewel Babylon wellicht niet totaal was verlaten of tot ruïnes was vervallen. Want volgens geleerden kan het zijn dat onze voornaamste bron hiervoor – een Romeinse schrijver – wellicht overdreef, zie: Dalley, “Occasions and Opportunities”, p. 42.
- Oshima, “The Babylonian God Marduk”, p. 356; Hrůša, Ancient Mesopotamian Religion, p. 58.
- Oshima, “The Babylonian God Marduk”, p. 358, noot 51.
- Dalley, “Occasions and Opportunities”, p. 42.
- Stephanie Dalley & A.T. Reyes, “Mesopotamian Contact and Influence in the Greek World: Persia, Alexander, and Rome”, in: Stephanie Dalley (red.), The Legacy of Mesopotamia (Oxford: Oxford University Press, 1998), p. 116. En toen deed ik jullie weer denken aan het Romeinse Rijk, nietwaar?
- Tzvi Abusch, “Marduk”, in: Karel van der Toorn et al (red.), Dictionary of Deities and Demons in the Bible (Leiden: Brill, 1999), p. 548-549; Stephanie Dalley, “The Influence of Mesopotamia upon Israel and the Bible”, in: Stephanie Dalley (red.), The Legacy of Mesopotamia (Oxford: Oxford University Press, 1998), p. 64.
- Michael Seymour, “Ancient Mesopotamia and Modern Iraq in the British Press, 1980–2003”, Current Anthropology 2004, 45 (3), p. 358.
- Daniele F. Rosa, “Ye Go to Thy Abzu: How Norwegian Black Metal Used Mesopotamian References, Where It Took Them From, and How It Usually Got Them Wrong”, in: Lorenzo Verderame & Agnès Garcia-Ventura (red.), Receptions of the Ancient Near East in Popular Culture and Beyond (Atlanta: Lockwood Press, 2020), p. 107, 109.